Esperantopedia

Hulpmiddelen

Esperanto flashcards: de 1.000 meest gebruikte woorden

Leer met flashcards de woorden die 78% van het alledaagse Esperanto uitmaken, een paar minuten per dag.

Bijgewerkt:

De flashcards hebben JavaScript nodig. Dezelfde 1.000 woorden staan op de pagina veelgebruikte woorden als lijst, als CSV-bestand en als Anki-bestand.

De set bevat de 1.000 meest gebruikte Esperanto-woorden, gerangschikt naar hoe vaak ze voorkomen in 5,8 miljoen woorden aan Esperanto-zinnen. De eerste 100 vormen 55,2% van alle woorden in die zinnen, en alle 1.000 samen 78,4%. De volledige lijst, met bronnen en downloads, staat op de pagina 1.000 meest gebruikte woorden.

Hoeveel woorden heb je nodig?

55,2%

van de woorden in alledaagse zinnen, als je de 100 meest gebruikte kent

De 1000 meest gebruikte woorden

Berekend op 822.296 zinnen (5.831.657 woorden) uit Tatoeba (CC BY 2.0 FR). Woordenlijst: Esperantopedia, CC BY-SA 4.0.

Zo gebruik je de flashcards

De flashcards hebben twee delen: het 1.000-woordenpad, dat je in volgorde door de woorden leidt, en vrij oefenen, waarbij je zelf de woorden en de oefening kiest. Beide delen gebruiken voor elk woord dezelfde voortgang, dus alles wat je oefent telt in allebei mee.

Het 1.000-woordenpad

  1. Kies een dagdoel: 5, 10, 20 of 30 nieuwe woorden per dag. Met 10 woorden per dag heb je alle 1.000 woorden in ongeveer honderd dagen gehad.
  2. Druk op Begin met leren. Eerst komen de woorden waarvan de herhaling aan de beurt is, daarna nieuwe woorden tot je dagdoel.
  3. Elk nieuw woord wordt eerst voorgesteld: met uitspraak, betekenis, een voorbeeldzin en bij veel woorden een pictogram. Druk op Ik leer het, dan komt het woord een paar stappen later terug voor een eerste controle. Ken je het al, druk dan op Ik ken het al: het komt over ongeveer een week terug voor een korte controle.
  4. Het pad heeft 10 etappes van 100 woorden. Elke etappe laat zien hoeveel van het alledaagse Esperanto je dekt zodra je alle woorden tot en met die etappe kent.

Ken je al wat Esperanto? Gebruik dan Markeer de woorden die je kent: tik op de woorden waar je zeker van bent, 20 tegelijk, in plaats van ze een voor een door te nemen.

Vrij oefenen

Kies de woorden: een etappe, de woorden van een cursusles, een bakje, je lastige woorden, de woorden die je in het woordenboek met de ster hebt opgeslagen, of je eigen selectie. Kies daarna de oefening:

  • Flashcards: haal het antwoord uit je geheugen, draai de flashcard om en druk alleen op Ik weet het als je het antwoord wist voordat je de flashcard omdraaide.
  • Meerkeuze: kies het juiste antwoord uit vier.
  • Luisteren: luister naar het woord en kies de betekenis.
  • Typen: je ziet de betekenis en typt het Esperanto-woord. Voor ĉ, ĝ, ĥ, ĵ, ŝ en ŭ kun je cx, gx, hx, jx, sx en ux typen, of de lettertoetsen gebruiken.
  • Zinnen: een echte zin van Tatoeba met een lege plek, waarin je het ontbrekende woord invult.
  • Paren: koppel vijf woorden aan hun betekenis.
  • Gemengd: de oefening wordt voor je gekozen, afhankelijk van hoe goed je elk woord kent.

Met de knoppen bij Snel starten begin je meteen aan een sessie van 5 minuten, een ronde paren, een quiz van 10 vragen of een sessie met je lastige woorden. Instellingen die je het vaakst gebruikt, kun je als set opslaan. Op een computer kies je met de cijfertoetsen een antwoord en ga je met Enter verder.

Hoe gespreid herhalen werkt

Een nieuw woord vergeet je eerst snel, en na elke geslaagde herhaling steeds langzamer. Gespreid herhalen maakt daar gebruik van: je ziet een woord weer vlak voordat je het zou vergeten, zodat elke herhaling weinig tijd kost en het woord langer blijft hangen. Hermann Ebbinghaus beschreef in 1885 het voordeel van gespreid boven gebundeld leren. Een overzicht van 317 experimenten door Nicholas Cepeda en collega's uit 2006 bevestigde dat, en toonde dat het beste interval tussen herhalingen langer wordt naarmate je iets langer wilt onthouden.

Deze flashcards plannen je herhalingen met FSRS (Free Spaced Repetition Scheduler), een open algoritme dat Jarrett Ye samen met de open-spaced-repetition-gemeenschap ontwikkelt. Anki biedt het aan sinds versie 23.10, en de flashcards op deze pagina gebruiken de zesde versie, FSRS-6. Het doel is om je een woord opnieuw te laten zien op het moment dat de kans dat je het nog weet is gedaald tot ongeveer 90%.

Voor elk woord houdt FSRS twee dingen bij: hoe stevig je geheugen van het woord is (de stabiliteit) en hoe moeilijk het woord voor jou is (de moeilijkheid). Daaruit berekent het wanneer de volgende herhaling aan de beurt is.

  • Een goed antwoord (in elke oefening, of Ik weet het op een flashcard) verlengt het interval tot de volgende herhaling. Als je steeds goed antwoordt, groeien de intervallen ongeveer zo: zo'n 2 dagen, dan zo'n 10 dagen, zo'n 6 weken en zo'n 5 maanden. De exacte aantallen verschillen per woord.
  • Een fout antwoord (of Ik weet het niet) brengt het woord later in dezelfde sessie terug, en de volgende herhaling volgt snel, na ongeveer een dag.

Een ouder en eenvoudiger systeem is het Leitner-systeem, dat de Duitse wetenschapsjournalist Sebastian Leitner in 1972 publiceerde in zijn boek So lernt man lernen: vijf bakjes met vaste wachttijden. FSRS vervangt de vaste tijden door een interval dat voor elk woord wordt berekend uit jouw antwoorden.

Het pad toont vijf bakjes voor alle 1.000 woorden, maar ze laten zien hoe goed je de woorden onthoudt, niet een vast interval. Woorden die je nog niet hebt gezien, tellen mee als „Nieuw”. Tik op een bakje om de woorden erin te oefenen. In bakje 1 zitten woorden die je nog niet kent of net bent vergeten. In bakje 5 zitten woorden die je lang onthoudt: hun volgende herhaling is 12 dagen of meer weg. Als je steeds goed antwoordt, bereikt een woord bakje 5 bij het derde juiste antwoord, ongeveer twee weken nadat je het voor het eerst zag.

Je voortgang

Je voortgang wordt in deze browser opgeslagen, dus je kunt de pagina sluiten en later verdergaan. Als je bent ingelogd, wordt hij ook in je account opgeslagen, zodat je op een ander apparaat kunt verdergaan. Wis je de gegevens van deze site in je browser, dan verdwijnt de kopie in deze browser.

Tips voor de eerste 1.000 woorden

  • Houd het kort en dagelijks. Met tien nieuwe woorden per dag heb je de eerste 100 woorden in tien dagen en alle 1.000 in ongeveer honderd dagen gehad.
  • Zeg elk woord hardop. Esperanto wordt gelezen zoals het geschreven is, en de klemtoon valt altijd op de voorlaatste lettergreep: zie alfabet en uitspraak.
  • Kijk naar de onderdelen. Veel veelgebruikte woorden delen een stam: lerni „leren”, lernanto „leerling”, lernejo „school”. Woordvorming legt de uitgangen en voor- en achtervoegsels uit, en het woordenboek toont bij elk woord de familie van verwante woorden.
  • Wissel van richting. Als een etappe vanuit het Esperanto makkelijk gaat, oefen je die daarna vanuit de betekenis naar het Esperanto-woord, of typ je de woorden.
  • Herken wat je al kent. Een paar woorden uit de eerste 150 lijken op het Nederlands, zoals nun „nu”, jaro „jaar”, tago „dag”, vorto „woord” en tri „drie”. Let op ne: dat woord is zowel „nee” als „niet”.

Veelgestelde vragen

Welke Esperanto-woorden moet ik het eerst leren?

De meest voorkomende. De 100 meest gebruikte woorden vormen meer dan de helft van alle woorden in alledaagse zinnen, dus ze eerst leren levert het snelst resultaat op.

Kan ik deze woorden in Anki gebruiken?

Ja. Op de pagina 1.000 meest gebruikte woorden staan een gratis Anki-bestand en een CSV-bestand met dezelfde woorden en betekenissen.

Wat gebeurt er als ik een dag oversla?

Er gaat niets verloren. Woorden waarvan de herhaaldatum is verstreken, wachten op je en komen in je volgende sessie als eerste aan bod, te beginnen met het laagste bakje.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.