Esperantopedia

Grammatica

De 16 regels van de Esperanto-grammatica uitgelegd

De officiële kern van de Esperanto-grammatica: kort, geschreven in de jaren 1880 en nog steeds geldig.

Bijgewerkt: 7 min. leestijd

De 16 regels vormen het grammaticale deel van het Fundamento de Esperanto, het boek uit 1905 dat de taal vastlegt. L. L. Zamenhof publiceerde ze voor het eerst in het Unua Libro, dat op 26 juli 1887 in Warschau in het Russisch verscheen. Samen behandelen ze uitgangen, tijden, voornaamwoorden, klemtoon en een paar algemene principes.

De regels zijn bindend, maar niet volledig. De Verklaring van Boulogne (1905) maakte het Fundamento onaantastbaar: niemand mag het veranderen, al kunnen er wel nieuwe woorden en officiële besluiten bijkomen.

De officiële tekst bestaat in het Frans, Engels, Duits, Russisch en Pools. Er zijn ook Esperanto-vertalingen, maar die maken geen deel uit van het Fundamento.

Vóór de regels: het alfabet

De grammatica begint met het alfabet van 28 letters, met één klank per letter, waaronder ĉ, ĝ, ĥ, ĵ, ŝ en ŭ. Daarbij staan twee opmerkingen: ŭ komt alleen na klinkers voor, en drukkers zonder letters met accent mogen ch, gh, hh, jh, sh, u schrijven. De volledige uitleg staat bij het Esperanto-alfabet.

Woordsoorten (regels 1–8)

Regel 1: het lidwoord

Er is maar één lidwoord, la – „de” of „het”, hetzelfde voor elk geslacht, elk getal en elke naamval. Een onbepaald lidwoord bestaat niet, dus domo betekent „een huis”. De regel staat beginners zelfs toe om la in het begin weg te laten. Meer: het lidwoord la.

Voor Nederlandstaligen is dat een opluchting: je hoeft nooit meer te onthouden of een woord de of het krijgt.

Regel 2: zelfstandige naamwoorden

Zelfstandige naamwoorden eindigen op -o en het meervoud voegt -j toe. Er zijn maar twee naamvallen: de grondvorm en de accusatief op -n. Andere betrekkingen drukt men uit met voorzetsels: patro – „vader”, patroj – „vaders”, patron – „vader” (als lijdend voorwerp), de la patro – „van de vader”, al la patro – „aan de vader”.

Regel 3: bijvoeglijke naamwoorden

Bijvoeglijke naamwoorden eindigen op -a en krijgen net als zelfstandige naamwoorden -j en -n. De vergelijking gebeurt met pli – „meer”, plej – „meest” en ol – „dan”: pli blanka ol neĝo – „witter dan sneeuw”. Meer: zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.

Regel 4: telwoorden

De basistelwoorden zijn unu, du, tri, kvar, kvin, ses, sep, ok, naŭ, dek, cent, mil (1–10, 100, 1000). Grotere getallen worden daaruit samengesteld: kvincent tridek tri – 533. Met uitgangen en achtervoegsels maak je rangtelwoorden (kvara – „vierde”), vermenigvuldigingen (-obl-), breuken (-on-) en groepen (-op-), en po geeft verdeling aan: po kvin – „vijf per keer”, „elk vijf”.

Regel 5: voornaamwoorden

De persoonlijke voornaamwoorden zijn mi, vi, li, ŝi, ĝi, si, ni, ili, oni. Met -a erachter maak je het bezittelijk voornaamwoord, mia – „mijn”, en voornaamwoorden krijgen net als zelfstandige naamwoorden -n: min – „mij”. Meer: voornaamwoorden.

Regel 6: werkwoorden

Werkwoorden veranderen nooit naar persoon of getal. Zes uitgangen doen al het werk: -i onbepaalde wijs, -as tegenwoordige tijd, -is verleden tijd, -os toekomende tijd, -us voorwaardelijke wijs, -u bevel of wens. Zes deelwoorden (-ant-, -int-, -ont-, -at-, -it-, -ot-) drukken actieve en passieve betekenis uit.

De lijdende vorm is esti plus een passief deelwoord, met de voor „door”: ŝi estas amata de ĉiuj – „zij wordt door iedereen bemind”. De Engelse tekst van 1905 noemt -us de „subjunctive”; tegenwoordig heet die uitgang conditionalis, de voorwaardelijke wijs. Meer: werkwoorden.

Regel 7: bijwoorden

Bijwoorden eindigen op -e en worden net als bijvoeglijke naamwoorden vergeleken: mia frato kantas pli bone ol mi – „mijn broer zingt beter dan ik”.

Regel 8: voorzetsels

Na een voorzetsel staat de grondvorm (de nominatief): kun la patro – „met de vader”. De systematische uitzondering is regel 13, waar -n na een voorzetsel van plaats een richting aangeeft.

Algemene regels (regels 9–16)

Regel 9: lezen

Elk woord wordt precies zo gelezen als het geschreven is. Er zijn geen stomme letters.

Regel 10: klemtoon

De klemtoon valt altijd op de voorlaatste lettergreep: fa-mi-li-o, es-pe-ran-to.

Regel 11: samengestelde woorden

Samenstellingen maak je door woorden gewoon aan elkaar te zetten, met het hoofdwoord laatst: vaporŝipo – „stoomschip” (vapor- „stoom” + ŝip- „schip”). De tekst van 1905 markeert woorddelen voor leerlingen met een apostrof (patr'o), een gewoonte die niet meer wordt gebruikt. Meer: woordvorming.

Regel 12: ontkenning

Eén ontkenning per zin is genoeg. Staat er al een ander ontkennend woord in de zin, dan valt ne weg: mi neniam vidis – „ik heb nooit gezien”, mi nenion vidis – „ik zag niets”.

Regel 13: richting

Om een beweging naar een plaats toe aan te geven, krijgt een woord -n: kie? – „waar?”, kien? – „waarheen?”; tie – „daar”, tien – „daarheen”; mi iras Parizon – „ik ga naar Parijs”. Tegenwoordig is al Parizo gebruikelijker. Meer: de accusatief.

Regel 14: het voorzetsel je

Elk voorzetsel heeft een vaste betekenis. Past er geen enkele, gebruik dan je, dat zelf geen betekenis heeft: ĝoji je tio – „blij zijn om dat”. De accusatief zonder voorzetsel kan je vervangen: ĝoji tion.

Regel 15: vreemde woorden

Internationale woorden krijgen een Esperanto-spelling en verder niets. Alleen het basiswoord wordt overgenomen; verwante woorden worden met Esperanto-uitgangen gevormd: teatro – „theater”, teatra – „theatraal”.

Regel 16: de apostrof

De slot-o van een zelfstandig naamwoord en de -a van la mogen wegvallen en door een apostrof worden vervangen: de l' mondo – „van de wereld”. Tegenwoordig komt dat bijna alleen nog in poëzie en liedjes voor.

Wat de 16 regels weglaten

De regels zijn in de jaren 1880 geschreven, in een traditionele stijl en vanuit een Europees perspectief. Het commentaar van de PMEG noemt het een veelvoorkomend misverstand dat Esperanto maar 16 regels zou hebben. Onderwerpen die ze nauwelijks aanstippen of overslaan:

  • de 45 correlatieven (kiu, tiu, ĉiu…) en de betekenissen van voor- en achtervoegsels, die in plaats daarvan in het woordenboek en de oefeningen van het Fundamento staan;
  • woordvolgorde, ja/nee-vragen met ĉu en bijzinnen met ke – „dat”;
  • wanneer je het wederkerende si gebruikt in plaats van li of ŝi;
  • de accusatief bij data en maten (lundon – „op maandag”, du horojn – „twee uur lang”);
  • welke tijd de deelwoorden uitdrukken, vastgelegd door de Akademio de Esperanto in besluiten van 1967 en 1989;
  • hoe de achtervoegsels -ig- en -iĝ- werkwoorden van overgankelijk naar onovergankelijk maken en omgekeerd.

Waar vind je de volledige grammatica?

  • PMEG (Plena Manlibro de Esperanta Gramatiko) van Bertilo Wennergren: het meest complete gratis naslagwerk, online sinds 1995 en geschreven in het Esperanto. Versie 15.5 dateert van juni 2024.
  • Het Fundamento zelf: naast de regels laten de Ekzercaro (oefeningen) en het Universala Vortaro (woordenboek) de grammatica in gebruik zien.
  • Besluiten van de Akademio de Esperanto: officiële verduidelijkingen, bijvoorbeeld over deelwoorden.

Voorbeelden in zinnen

  • La libro estas sur la tablo. – „Het boek ligt op de tafel.”
  • Mi vidas du katojn. – „Ik zie twee katten.”
  • La bluaj floroj estas tre belaj. – „De blauwe bloemen zijn heel mooi.”
  • En la klaso estas dudek tri lernantoj. – „In de klas zitten drieëntwintig leerlingen.”
  • Ŝi skribis al mi longan leteron. – „Ze schreef me een lange brief.”
  • Hieraŭ mi laboris, hodiaŭ mi ripozas. – „Gisteren werkte ik, vandaag rust ik.”
  • Li kuras rapide. – „Hij rent snel.”
  • Ni veturos al la maro per trajno. – „We gaan met de trein naar de zee.”
  • Mia avino havas grandan legomĝardenon. – „Mijn oma heeft een grote groentetuin.”
  • Hodiaŭ neniu venis. – „Vandaag is er niemand gekomen.”
  • La infanoj kuris en la parkon. – „De kinderen renden het park in.”
  • Mi venos je la tria. – „Ik kom om drie uur.”

Veelgestelde vragen

Heeft Esperanto echt maar 16 grammaticaregels?

Nee. De 16 regels zijn de officiële kern, maar ze laten woordvolgorde, de correlatieven, het gebruik van si en nog veel meer weg. Volledige grammatica's zoals de PMEG beslaan honderden pagina's.

Wie schreef de 16 regels, en wanneer?

L. L. Zamenhof, de bedenker van het Esperanto. Ze verschenen voor het eerst in het Unua Libro in 1887 en werden in 1905 onderdeel van het Fundamento de Esperanto.

Kunnen de 16 regels veranderd worden?

Nee. Sinds de Verklaring van Boulogne (1905) mag het Fundamento niet meer veranderd worden. De Akademio de Esperanto kan woorden toevoegen en besluiten nemen, maar de regels niet herschrijven.

Is er een officiële Esperanto-versie van de 16 regels?

Nee. De officiële teksten zijn in het Frans, Engels, Duits, Russisch en Pools. Esperanto-vertalingen, bijvoorbeeld in de PMEG, hebben geen officiële status.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.