Esperantopedia

Grammatica

Esperanto-correlatieven: tabel met alle 45 tabelwoorden

Veertien bouwstenen vormen vijfenveertig woorden: leer het rooster één keer en je kunt ze allemaal afleiden.

Bijgewerkt: 5 min. leestijd

Correlatieven zijn 45 basiswoorden voor vragen en antwoorden, zoals kiu – „wie”, tie – „daar” en neniam – „nooit”. Elk woord combineert een van de 5 beginstukken met een van de 9 uitgangen, dus 14 bouwstenen geven alle 45 woorden. Esperantosprekers noemen ze tabelvortoj – „tabelwoorden”, en alle staan in het Fundamento van 1905.

De tabel met correlatieven

De kolommen zijn de beginstukken, de rijen de uitgangen.

ki- + -o = kio

Uitgangki- (vraag, „w-”)ti- (aanwijzend)i- (onbepaald)ĉi- (alle)neni- (geen)
-o zaakkio – wattio – datio – ietsĉio – allesnenio – niets
-u persoon, individukiu – wie, welketiu – die, datiu – iemandĉiu – iedereen, iederneniu – niemand, geen enkele
-a soort, hoedanigheidkia – wat voortia – zo'n, zulkia – een of ander soortĉia – allerlei, elk soortnenia – geen enkel soort
-e plaatskie – waartie – daarie – ergensĉie – overalnenie – nergens
-el wijze, matekiel – hoe, alstiel – zoiel – op de een of andere manierĉiel – op elke manierneniel – op geen enkele manier
-am tijdkiam – wanneertiam – toen, daniam – ooitĉiam – altijdneniam – nooit
-om hoeveelheidkiom – hoeveeltiom – zoveeliom – wat, een beetjeĉiom – alles, de hele hoeveelheidneniom – helemaal niets
-al redenkial – waaromtial – daaromial – om de een of andere redenĉial – om elke redennenial – om geen enkele reden
-es bezitterkies – wiensties – van die eneies – van iemandĉies – van iedereennenies – van niemand

Zo onthoud je ze

Leer de 14 bouwstenen, niet de 45 woorden. Lees dan elke correlatief als „beginstuk + uitgang”: neni- „geen” + -am „tijd” = neniam – „nooit”.

De beginstukken lijken sterk op Nederlandse woordgroepen:

  • ki- vraagt of verbindt, zoals het Nederlandse „w-”: kio – „wat”, kie – „waar”, kiam – „wanneer”, kiu – „wie, welke”.
  • ti- wijst aan, zoals het Nederlandse „d-”: tio – „dat”, tie – „daar”, tiu – „die”, tial – „daarom”.
  • i- is vaag, zoals „ie-”: iu – „iemand”, io – „iets”. ĉi- omvat alles, zoals „al-”: ĉio – „alles”. neni- ontkent, zoals „nie-”: neniu – „niemand”, nenio – „niets”.

De uitgangen zijn het lastigere deel. Deze geheugensteuntjes helpen (het zijn trucjes, geen etymologie):

  • -es voor bezitter, zoals de Nederlandse genitief-s in „wiens” en „diens”.
  • -al voor reden, zoals in „causaal”.
  • -u is voor een persoon of één exemplaar; -o voor een zaak in het algemeen.

Oefen één rij tegelijk over alle vijf kolommen: kiam? – tiam – iam – ĉiam – neniam. Vraag en antwoord komen vaak in paren: Kie? – Tie. („Waar?” – „Daar.”) Kiam? – Tiam. („Wanneer?” – „Toen.”)

Kiu of kio, ĉiu of ĉiuj

Kiu vraagt naar een persoon of één exemplaar uit een groep, en kan voor een zelfstandig naamwoord staan: kiu libro – „welk boek”, tiu domo – „dat huis”. Kio vraagt naar een zaak in het algemeen en staat alleen:

  • Kio estas tio? – „Wat is dat?”
  • Kiu estas tiu? – „Wie is dat?”

Ĉiu betekent „elk, iedereen” en is enkelvoud; ĉiuj betekent „alle, allemaal” en is meervoud:

  • Ĉiu infano ludas. – „Elk kind speelt.”
  • Ĉiuj infanoj ludas. – „Alle kinderen spelen.”

Het toevoegen van -n en -j

Slechts enkele correlatieven krijgen uitgangen. Die op -u en -a congrueren met hun zelfstandig naamwoord, net als bijvoeglijke naamwoorden. Die op -e, -el, -am, -om en -al werken als bijwoorden en blijven ongewijzigd, behalve de -e-woorden, die -n krijgen voor richting.

Groep-j (meervoud)-nVoorbeelden
-ujajakiuj, kiun, tiujn, ĉiujn
-ajajakiaj, tian, tiajn
-onormaal nietjakion, tion, nenion
-eneealleen bij richtingkien, tien, ĉien, nenien
-el, -am, -om, -al, -esneeneekiel, kiam, kiom, kial, kies
  • Kiun vi vidis? – „Wie zag je?”
  • Mi aĉetis tiujn librojn. – „Ik kocht die boeken.”
  • Kion vi diris? – „Wat zei je?”
  • Kien vi iras? – „Waar ga je naartoe?” Vergelijk Kie vi estas? – „Waar ben je?”
  • Mi vidis neniun. – „Ik zag niemand.”

De regels voor -n zijn dezelfde als overal: zie de accusatief.

Ĉi tiu en tiu ĉi: „dit, deze”

*Ti-*woorden zeggen niets over afstand, dus tiu kan „deze” of „die” betekenen, anders dan het Nederlandse onderscheid tussen dit/dat en deze/die. Voeg ĉi toe om nabijheid aan te geven: ĉi tiu of tiu ĉi – „deze (hier)”, ĉi tie of tie ĉi – „hier”. Beide volgordes betekenen hetzelfde.

Schrijf ze als twee woorden, zonder koppelteken. Het koppelteken komt alleen voor in woorden die ervan zijn afgeleid: ĉi-jare – „dit jaar”, ĉi-nokte – „vannacht”.

Ajn: „-ook maar”

Ajn na een correlatief betekent „dan ook” of „om het even”: kiu ajn – „wie dan ook”, kio ajn – „wat dan ook”, kie ajn – „waar dan ook”, iam ajn – „op welk moment dan ook”. Het staat altijd direct na de correlatief. Nenion ajn betekent „helemaal niets”.

Correlatieven die zinnen verbinden

*Ki-*woorden openen ook betrekkelijke bijzinnen en indirecte vragen, zoals het Nederlandse „die”, „dat”, „wie” en „waar”:

  • La viro, kiu venis, estas mia patro. – „De man die kwam, is mijn vader.”
  • La libro, kiun mi legas, estas bona. – „Het boek dat ik lees, is goed.”
  • Mi faris tion, kion vi petis. – „Ik deed wat je vroeg.”
  • Mi ne scias, kie li loĝas. – „Ik weet niet waar hij woont.”

Het Nederlands kiest voor het betrekkelijk voornaamwoord tussen „die” en „dat”, afhankelijk van een de- of het-woord; in het Esperanto is dat altijd kiu. Voor hoeveelheden van iets voeg je da toe: Kiom da mono vi havas? – „Hoeveel geld heb je?” Vragen met *ki-*woorden staan bij vragen en ontkenning.

Voorbeelden in zinnen

  • Kiu estas tiu viro? – „Wie is die man?”
  • Kio estas en la skatolo? – „Wat zit er in de doos?”
  • Kian veteron vi havas tie? – „Wat voor weer is het daar?”
  • Ĉiu infano ricevis donacon. – „Elk kind kreeg een cadeau.”
  • Ĉiuj ĝojis pri la neĝo. – „Iedereen was blij met de sneeuw.”
  • Iu frapas ĉe la pordo. – „Er klopt iemand op de deur.”
  • Mi serĉis la ŝlosilon ĉie, sed trovis ĝin nenie. – „Ik heb de sleutel overal gezocht, maar nergens gevonden.”
  • Kiam vi alvenos, telefonu al mi. – „Bel me als je aankomt.”
  • Ĉi tiu domo estas pli granda ol tiu. – „Dit huis is groter dan dat.”
  • Prenu kiun ajn libron vi volas. – „Neem welk boek je maar wilt.”

Veelgestelde vragen

Hoeveel correlatieven heeft Esperanto?

Er zijn er 45: vijf beginstukken (ki-, ti-, i-, ĉi-, neni-) maal negen uitgangen (-o, -u, -a, -e, -el, -am, -om, -al, -es). Vormen als aliu met ali- „ander” zijn niet officieel en de PMEG raadt ze af.

Wat is het verschil tussen kiu en kio?

Kiu is voor personen en voor één exemplaar uit meer („wie”, „welke”) en kan voor een zelfstandig naamwoord staan. Kio is voor zaken in het algemeen („wat”) en staat alleen.

Is het ĉi tiu of tiu ĉi?

Beide zijn juist en betekenen hetzelfde: „deze”. Ĉi kan vóór of na de correlatief staan.

Krijgen correlatieven -n?

Die op -u, -a en -o krijgen -n als lijdend voorwerp: kiun, tian, tion. Die op -e krijgen het alleen voor richting: tien. De rest verandert nooit.

Waarom heten ze correlatieven?

Omdat ze in bij elkaar horende reeksen voorkomen: elk vraagwoord heeft zijn aanwijzende, onbepaalde, totale en ontkennende partner. In het Esperanto heten ze tabelvortoj, naar de tabel waarin ze meestal worden geleerd.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.