Esperantopedia

Grammatica

Esperanto voorzetsels: alle 33 met voorbeelden

Drieëndertig korte woorden met elk één vaste betekenis – en één, je, zonder eigen betekenis.

Bijgewerkt: 6 min. leestijd

Het Esperanto heeft 33 officiële voorzetsels, en ze stonden allemaal al in het Fundamento de Esperanto (1905). Ze veranderen nooit van vorm, staan altijd vóór hun zelfstandig naamwoord, en dat woord blijft in de grondvorm (regel 8 van de 16 regels).

Er is één uitzondering: na een voorzetsel van plaats geeft de uitgang -n een beweging naar een plaats aan. Past geen enkel voorzetsel bij de bedoelde betekenis, dan gebruikt het Esperanto je, het enige voorzetsel zonder eigen betekenis.

Voorzetsels van plaats en beweging in één oogopslag

Twaalf woorden zeggen waar iets zich bevindt ten opzichte van iets anders, en vijf beschrijven beweging: al „naar”, de „van”, el „uit”, tra „door” en ĝis „tot aan”. Malantaŭ „achter” hoort niet bij de 33, maar is gebouwd uit mal- + antaŭ. Elke voorbeeldzin hieronder komt uit het PMEG.

en inLi kuŝis en la lito. Hij lag in bed.

Alle 33 voorzetsels

VoorzetselBetekenisVoorbeeldVertaling
alnaar, richting; aan (iemand)al la urbo; doni al Petro„naar de stad; aan Peter geven”
anstataŭin plaats vanteo anstataŭ kafo„thee in plaats van koffie”
antaŭvoor (plaats); voor (tijd)antaŭ la domo; antaŭ la leciono„voor het huis; voor de les”
apudnaast, bijapud la fenestro„naast het raam”
ĉebij; bij iemand thuisĉe la tablo; ĉe mi„aan tafel; bij mij thuis”
ĉirkaŭrond; ongeveerĉirkaŭ la lago; ĉirkaŭ tri horoj„rond het meer; ongeveer drie uur”
davan (na een hoeveelheid)glaso da akvo„een glas water”
devan, vanaf; van (bezitter); door (uitvoerder)de Varsovio; la libro de Petro; amata de ĉiuj„uit Warschau; het boek van Peter; door allen bemind”
dumtijdensdum la tago„overdag”
eksterbuitenekster la urbo„buiten de stad”
eluit; van (materiaal); een vanel la domo; el ligno; unu el ni„uit het huis; van hout; een van ons”
enin; naar binnen (met -n)en la ĉambro; en la ĉambron„in de kamer; de kamer in”
ĝistot; tot aanĝis morgaŭ; ĝis la stacio„tot morgen; tot aan het station”
intertussen, onderinter la arboj„tussen de bomen”
jegeen vaste betekenisje la tria horo„om drie uur”
kontraŭtegen; tegenoverkontraŭ la vento„tegen de wind”
krombehalve; naastĉiuj krom mi„iedereen behalve ik”
kun(samen) metkun amiko„met een vriend”
laŭvolgens; langslaŭ mi; laŭ la rivero„volgens mij; langs de rivier”
malgraŭondanksmalgraŭ la pluvo„ondanks de regen”
perdoor middel van, met (gereedschap)per krajono; per trajno„met een potlood; per trein”
poper stuk, elkpo tri pomoj„elk drie appels”
porvoor; om tepor vi; por lerni„voor jou; om te leren”
postna; achterpost la leciono; post la domo„na de les; achter het huis”
pretervoorbij, langs (in beweging)preter la domo„langs het huis”
priover, betreffendepri la vetero„over het weer”
prowegens, vanwegepro la pluvo„vanwege de regen”
senzondersen mono„zonder geld”
subondersub la tablo„onder de tafel”
superbovensuper la urbo„boven de stad”
suropsur la tablo„op de tafel”
tradoortra la arbaro„door het bos”
transaan de overkant van, overtrans la rivero„aan de overkant van de rivier”

Woorden als malantaŭ „achter” (mal- + antaŭ) en ekde „vanaf” zijn uit deze 33 gebouwd en worden niet apart geteld. Het PMEG noemt ook enkele niet-officiële voorzetsels, zoals far „door (een auteur)”. De meeste schrijvers gebruiken liever fare de.

Nederlandse voorzetsels met meerdere Esperanto-vertalingen

Nederlandse voorzetsels als „met”, „van”, „voor” en „door” splitsen zich elk in meerdere Esperanto-voorzetsels. Let ook op „geen voorzetsel” na een hoeveelheid.

NederlandsEsperantoVoorbeeld
met (gezelschap)kunMi manĝas kun amiko. – „Ik eet met een vriend.”
met (gereedschap)perMi manĝas per forko. – „Ik eet met een vork.”
(geen voorzetsel, hoeveelheid)dakilogramo da pomoj – „een kilo appels”
van (bezit, herkomst)dela domo de mia patro – „het huis van mijn vader”
van (materiaal, deel van een groep)elringo el oro – „een ring van goud”
voor (plaats of tijd)antaŭantaŭ la domo – „voor het huis”
voor (doel, voordeel)porĜi estas por vi. – „Het is voor jou.”
voor (reden)proDankon pro la helpo. – „Bedankt voor de hulp.”
voor (duur)dum of -ndum du semajnoj / du semajnojn – „twee weken lang”
door (uitvoerder)deamata de ĉiuj – „door allen bemind”
door (heen)tratra la arbaro – „door het bos”

Werkwoorden zonder voorzetsel

Het Nederlands kent veel werkwoorden met een vast voorzetsel: wachten op, kijken naar, luisteren naar, bang zijn voor. In het Esperanto nemen dezelfde werkwoorden meestal gewoon een lijdend voorwerp met -n (zie de accusatief):

NederlandsEsperantoVoorbeeld
wachten opatendiMi atendas la buson. – „Ik wacht op de bus.”
kijken naarrigardiNi rigardas filmon. – „We kijken naar een film.”
luisteren naaraŭskultiŜi aŭskultas muzikon. – „Zij luistert naar muziek.”
zoeken naarserĉiMi serĉas miajn ŝlosilojn. – „Ik zoek naar mijn sleutels.”
bang zijn voortimiLi timas la hundon. – „Hij is bang voor de hond.”

Je: het voorzetsel zonder betekenis

Regel 14 van het Fundamento zegt dat elk voorzetsel een vaste betekenis heeft. Past er geen enkel, dan gebruik je je. De meest voorkomende toepassingen (PMEG) zijn:

  • Kloktijd en feesten: je la oka – „om acht uur”; je Pasko – „met Pasen”.
  • Verschil in maat: je unu jaro pli juna – „een jaar jonger”.
  • Lichaamsdelen en toestanden: kapti je la brako – „bij de arm grijpen”; malsana je la brusto – „ziek aan de borst”.
  • Gevoelens en geloof: kredi je Dio – „in God geloven”.

Het PMEG raadt af je te gebruiken als er een preciezer voorzetsel bestaat. Voor kloktijden: zie getallen en tijd.

Richting: voorzetsel + -n

Voorzetsels van plaats (en, sur, sub, antaŭ, apud, inter, trans en andere) zeggen waar iets is. Zet je -n achter het zelfstandig naamwoord, dan zeggen ze waarheen (regel 13). Dat is een van de toepassingen van de accusatief. Het Nederlands maakt een vergelijkbaar onderscheid met een achterplaatsing: „in de kamer” tegenover „de kamer in”.

Plaats (zonder -n)Beweging (met -n)
La kato saltas sur la tablo. – „De kat springt (rond) op de tafel.”La kato saltas sur la tablon. – „De kat springt de tafel op.”
La birdo flugas en la ĉambro. – „De vogel vliegt in de kamer rond.”La birdo flugas en la ĉambron. – „De vogel vliegt de kamer in.”

Alleen voorzetsels die ook een plaats kunnen aanduiden, krijgen deze -n. Al, el, de en ĝis duiden nooit een plaats aan en krijgen daarom nooit -n: al la urbo, el la lernejo. De -n van richting drukt altijd een beweging naar een plaats toe uit, nooit een beweging van die plaats weg (PMEG).

De accusatief in plaats van een voorzetsel

Regel 14 staat ook de kale -n toe in plaats van je: Mi ridas je lia naiveco = Mi ridas lian naivecon – „Ik lach om zijn naïviteit”. Tegenwoordig is dat zeldzaam bij werkwoorden als ridi. Bij tijd en maat komt het vaak voor:

  • Mi venos lundon. – „Ik kom maandag.”
  • Ni restis tri tagojn. – „We bleven drie dagen.”
  • Ĝi kostas dek eŭrojn. – „Het kost tien euro.”

Voorzetsels als voorvoegsel en als stam

De meeste voorzetsels werken ook als voorvoegsel bij werkwoorden. De betekenis blijft dicht bij die van het voorzetsel:

WoordDelenBetekenis
alvenial + veni„aankomen”
eliriel + iri„naar buiten gaan”
enirien + iri„binnengaan”
kunlaborikun + labori„samenwerken”
subskribisub + skribi„ondertekenen”
transiritrans + iri„oversteken”
priskribipri + skribi„beschrijven”
antaŭvidiantaŭ + vidi„voorzien”

Het Nederlands kent iets vergelijkbaars met scheidbare werkwoorden (aankomen, uitgaan, samenwerken). In het Esperanto blijft het woord altijd heel: Mi alvenas „ik kom aan”.

Ze krijgen ook gewone uitgangen: apuda „naburig”, kontraŭa „tegenovergesteld”, antaŭe „voorheen”, poste „daarna”, kune „samen”, ĉirkaŭi „omringen”. Een hele woordgroep kan één woord worden: sen hejmo → senhejma „dakloos”, inter nacioj → internacia „internationaal”. Zie woordvorming en voorvoegsels.

Voorbeelden in zinnen

  • La kato dormas sub la tablo. – „De kat slaapt onder de tafel.”
  • La kato kuris sub la tablon. – „De kat is onder de tafel gerend.”
  • Mi atendos vin antaŭ la kinejo. – „Ik zal voor de bioscoop op je wachten.”
  • Post la leciono ni iris al kafejo. – „Na de les gingen we naar een café.”
  • Ŝi venas el Brazilo. – „Ze komt uit Brazilië.”
  • Mi ricevis leteron de mia avino. – „Ik kreeg een brief van mijn oma.”
  • Ni promenis tra la arbaro. – „We wandelden door het bos.”
  • Mi laboras ĉe granda firmao. – „Ik werk bij een groot bedrijf.”
  • Li parolis pri sia vojaĝo dum la tuta vespero. – „Hij praatte de hele avond over zijn reis.”

Veelgestelde vragen

Hoeveel voorzetsels heeft het Esperanto?

Het Esperanto heeft 33 officiële voorzetsels, allemaal uit het Fundamento van 1905. Afgeleide vormen als malantaŭ en niet-officiële woorden als far worden niet meegeteld.

Welke naamval volgt op een voorzetsel in het Esperanto?

De grondvorm: kun mia amiko. De enige uitzondering is richting na een voorzetsel van plaats, waar het zelfstandig naamwoord -n krijgt: en la domon „het huis in”.

Wat is het verschil tussen kun en per?

Kun betekent „samen met” een persoon of zaak; per betekent „door middel van” een werktuig of methode. Mi skribas kun amiko per krajono – „Ik schrijf samen met een vriend, met een potlood.”

Wanneer gebruik ik je?

Gebruik je alleen als geen ander voorzetsel past. Het komt het vaakst voor bij kloktijden: je la tria – „om drie uur”.

Wat is het verschil tussen de en da?

Da verbindt een hoeveelheid met datgene wat gemeten wordt: glaso da vino „een glas wijn”. De geeft bezitter, herkomst of uitvoerder aan: la glaso de Petro „het glas van Peter”.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.