Esperantopedia

Grammatica

Bijwoorden in het Esperanto: -e, richting -en, basiswoorden

Eén uitgang, -e, maakt van bijna elke stam een bijwoord; een paar tientallen korte woorden doen de rest.

Bijgewerkt: 4 min. leestijd

De meeste Esperanto-bijwoorden maak je door -e aan een stam toe te voegen: rapida „snel” → rapide „snel” (als bijwoord; regel 7 van het Fundamento). Voeg je -n toe aan een bijwoord van plaats, dan geeft dat richting aan: hejme „thuis” → hejmen „naar huis”. Een gesloten groep van ongeveer dertig korte woorden – ankaŭ, jam, nun, tre, tro en andere – werkt zonder uitgang als bijwoord.

Bijwoorden op -e

De uitgang -e werkt met stammen van elke soort, niet alleen met bijvoeglijke naamwoorden.

StamAndere vormBijwoord op -e
rapid-rapida „snel”rapide „snel”
bon-bona „goed”bone „goed”
hejm-hejmo „thuis”hejme „thuis”
maten-mateno „ochtend”matene „'s ochtends”
vintr-vintro „winter”vintre „in de winter”
ekzempl-ekzemplo „voorbeeld”ekzemple „bijvoorbeeld”
unuunua „eerste”unue „ten eerste”
antaŭvoorzetsel „voor”antaŭe „eerder”
postvoorzetsel „na”poste „daarna”
kunvoorzetsel „met”kune „samen”
kompreni + -ebl-komprenebla „begrijpelijk”kompreneble „natuurlijk”

Een bijwoord kan een werkwoord, een bijvoeglijk naamwoord, een ander bijwoord of de hele zin bepalen (PMEG):

  • La policano kuras rapide. – „De politieagent rent snel.”
  • Ŝi sidas hejme. – „Zij zit thuis.”
  • Ĝi estas sufiĉe granda. – „Het is groot genoeg.”
  • Kompreneble mi iros. – „Natuurlijk ga ik.”

Let op als je Nederlandstalig bent: in het Nederlands is het bijwoord vaak gelijk aan het bijvoeglijk naamwoord („een goed boek”, „hij zingt goed”; „een snelle auto”, „hij rijdt snel”). In het Esperanto zijn het verschillende woorden: Li kantas bone, niet Li kantas bona.

Bijwoorden in zinnen zonder onderwerp

Heeft een zin geen echt onderwerp, dan gebruikt het Esperanto het bijwoord, niet het bijvoeglijk naamwoord (PMEG). Het lege Nederlandse „het” bestaat hier niet.

  • Estas mallume. – „Het is donker.”
  • Estas varme hodiaŭ. – „Het is warm vandaag.”
  • Estas bone, ke vi venas. – „Het is goed dat je komt.”
  • Kritiki estas facile. – „Kritiek leveren is makkelijk.”

Vergelijking

Bijwoorden worden net als bijvoeglijke naamwoorden vergeleken: pli rapide „sneller”, plej rapide „het snelst”, malpli rapide „minder snel”. Li kuras pli rapide ol mi – „Hij rent sneller dan ik”. „Even … als” is tiel … kiel: tiel rapide kiel vi – „zo snel als jij”.

Richting met -en

Regel 13 van het Fundamento: een bijwoord van plaats krijgt -n om beweging naar een plaats aan te geven. Dit is dezelfde -n als in de accusatief.

plaats (waar?)

Mi restas hejme.

Ik blijf thuis.

richting (waarheen?)

Mi iras hejmen.

Ik ga naar huis.

Waar?Waarheen?
hejme „thuis”hejmen „naar huis”
supre „boven”supren „omhoog”
malsupre „beneden”malsupren „omlaag”
antaŭe „vooraan”antaŭen „vooruit”
dekstre „rechts”dekstren „naar rechts”
ekstere „buiten”eksteren „naar buiten”
tie „daar”tien „daarheen”
kie „waar”kien „waarheen”
  • Mi iras hejmen. – „Ik ga naar huis.”
  • Rigardu supren! – „Kijk omhoog!”
  • Kien vi iras? – „Waar ga je naartoe?”

Tie, kie en de andere plaatswoorden op -e horen bij de correlatieven, samen met tijdswoorden als tiam „toen” en kiam „wanneer”.

Basisbijwoorden zonder uitgang

Deze korte woorden zijn officieel en hebben geen uitgang. De PMEG groepeert ze naar betekenis; de lijst hieronder bevat de gangbare.

WoordBetekenisVoorbeeldVertaling
ankoraŭnogLi ankoraŭ dormas.„Hij slaapt nog.”
baldaŭbinnenkortĜis baldaŭ!„Tot snel!”
hieraŭgisterenHieraŭ pluvis.„Gisteren regende het.”
hodiaŭvandaagHodiaŭ estas lundo.„Vandaag is het maandag.”
morgaŭmorgenĜis morgaŭ!„Tot morgen!”
jamal, reedsMi jam manĝis.„Ik heb al gegeten.”
ĵuszojuistLi ĵus venis.„Hij is zojuist gekomen.”
nunnuKie vi estas nun?„Waar ben je nu?”
pluverder, nogMi ne plu fumas.„Ik rook niet meer.”
tujmeteenVenu tuj!„Kom meteen!”
forwegIru for!„Ga weg!”
trezeer, heeltre bona„heel goed”
trotetro varma„te warm”
plimeerpli granda„groter”
plejmeestla plej bona„de beste”
preskaŭbijnapreskaŭ ĉiuj„bijna iedereen”
apenaŭnauwelijksapenaŭ videbla„nauwelijks zichtbaar”
almenaŭtenminstealmenaŭ unu„minstens één”
nuralleen, slechtsnur unu„slechts één”
eĉzelfseĉ infano„zelfs een kind”
ankaŭookAnkaŭ mi.„Ik ook.”
jainderdaad (nadruk)Mi ja diris tion!„Dat heb ik wel gezegd!”
jenhier is, kijkJen la libro.„Hier is het boek.”
dodus, danVenu do!„Kom dan toch!”
tamentoch, echterTamen mi iros.„Ik ga toch.”
kvazaŭalsof, als het warekvazaŭ infano„als een kind”
memzelfmi mem„ikzelf”
ju … deshoe … hoeju pli, des pli bone„hoe meer, hoe beter”
ne, jesniet, nee; jaMi ne scias.„Ik weet het niet.”

Veel van deze woorden krijgen ook uitgangen: hodiaŭa „van vandaag”, nuna „huidig”, tuja „onmiddellijk”, baldaŭa „aanstaande”. Ne en jes komen aan bod bij vragen en ontkenning.

De plaats in de zin

Woorden als nur, eĉ, ankaŭ en tre staan normaal vlak vóór het woord waar ze op slaan (PMEG). Verplaats je ze, dan kan de betekenis veranderen:

  • Nur mi vidis lin. – „Alleen ik zag hem.”
  • Mi vidis nur lin. – „Ik zag alleen hem.”

Voorbeelden in zinnen

  • Ŝi kantas bele. – „Ze zingt mooi.”
  • Li respondis tute ĝuste. – „Hij antwoordde helemaal juist.”
  • Matene mi trinkas teon. – „'s Ochtends drink ik thee.”
  • Ni vojaĝis buse al Krakovo. – „We reisden met de bus naar Krakau.”
  • Estas malvarme ekstere. – „Het is koud buiten.”
  • Ni iru eksteren! – „Laten we naar buiten gaan!”
  • Li ofte forgesas sian telefonon. – „Hij vergeet vaak zijn telefoon.”
  • Mi preskaŭ falis. – „Ik viel bijna.”
  • Ŝi parolas Esperanton pli flue ol mi. – „Ze spreekt Esperanto vlotter dan ik.”

Veelgestelde vragen

Hoe vorm je bijwoorden in het Esperanto?

Voeg -e toe aan een stam: rapida → rapide „snel”, mateno → matene „'s ochtends”. Een korte lijst basisbijwoorden, zoals jam en tre, heeft geen uitgang.

Waarom zeg je „Estas varme” en niet „Estas varma”?

In een zin zonder echt onderwerp gebruikt het Esperanto het bijwoord. Estas varme betekent „het is warm”; varma heeft een zelfstandig naamwoord nodig om te beschrijven, zoals in La teo estas varma „De thee is warm”.

Wat is het verschil tussen hejme en hejmen?

Hejme betekent „thuis” (plaats); hejmen betekent „naar huis” (richting). Mi estas hejme – „Ik ben thuis”; Mi iras hejmen – „Ik ga naar huis”.

Hoe zeg je „nog niet” en „niet meer”?

„Nog niet” is ankoraŭ ne: Li ankoraŭ ne venis – „Hij is nog niet gekomen”. „Niet meer” is ne plu: Mi ne plu fumas – „Ik rook niet meer”.

Kunnen basisbijwoorden als hodiaŭ een uitgang krijgen?

Ja. Hodiaŭa betekent „van vandaag”, nuna „huidig” en tuja „onmiddellijk”.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.