Zinnen
Kleuren in het Esperanto: lijst en tinten maken
Leer een dozijn kleurstammen en een paar woorddelen, en je kunt bijna elke tint benoemen.
Kleuren zijn in het Esperanto bijvoeglijke naamwoorden op -a: ruĝa „rood”, blua „blauw”, verda „groen”, flava „geel”, nigra „zwart”, blanka „wit”. Zoals alle bijvoeglijke naamwoorden passen ze zich aan hun zelfstandig naamwoord aan: ruĝa pomo „een rode appel”, ruĝaj pomoj „rode appels”. Woorddelen als hel- „licht” en -et- „-achtig” maken van deze stammen elke tint. In de uitspraakkolom staat elk woord in lettergrepen, met de beklemtoonde lettergreep in hoofdletters.
De belangrijkste kleuren
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak |
|---|---|---|
| rood | ruĝa | RU-ĝa |
| oranje | oranĝa | o-RAN-ĝa |
| geel | flava | FLA-va |
| groen | verda | VER-da |
| blauw | blua | BLU-a |
| paars, violet | viola | vi-O-la |
| purper | purpura | pur-PU-ra |
| roze | rozkolora of roza | roz-ko-LO-ra / RO-za |
| bruin | bruna | BRU-na |
| grijs | griza | GRI-za |
| zwart | nigra | NI-gra |
| wit | blanka | BLAN-ka |
| goud, goudkleurig | ora | O-ra |
| zilver, zilverkleurig | arĝenta | ar-ĜEN-ta |
| turkoois | turkiskolora | tur-kis-ko-LO-ra |
Verschillende kleurwoorden komen van voorwerpen. Oranĝa hoort bij oranĝo „sinaasappel”, viola bij violo „viooltje”, roza bij rozo „roos”, ora bij oro „goud” en arĝenta bij arĝento „zilver”. ReVo omschrijft purpura als violetrood, de kleur van de oude verfstof purpuro „purper”, en viola als violetkleurig. Veel kleurwoorden herken je meteen: oranĝa lijkt op „oranje”, roza op „roze”, viola op „violet”, bruna op „bruin” en griza op „grijs”.
Let op het verschil met het Nederlands: een kleur krijgt in het Esperanto nooit een extra -e naargelang van lidwoord of geslacht. Waar wij „een rood huis” en „het rode huis” zeggen, blijft het Esperanto bij ruĝa domo en la ruĝa domo.
Hoe maak je tinten?
| Woorddeel | Betekenis | Voorbeeld | Nederlands |
|---|---|---|---|
| hel- | licht | helblua | lichtblauw |
| malhel- | donker | malhelverda | donkergroen |
| -et- | -achtig, zwakker | ruĝeta | roodachtig |
| -eg- | intens | ruĝega | dieprood, felrood |
| pal- | bleek | palflava | bleekgeel |
| X + kolora | de kleur van X | ĉielkolora, kafkolora | hemelkleurig, koffiekleurig |
| twee kleuren | een mengkleur | bluverda, flavverda | blauwgroen, geelgroen |
| ĉiel-, mar- | als de hemel, de zee | ĉielblua, marblua | hemelsblauw, zeeblauw |
Dit zijn gewone samenstellingen: de laatste stam is het hoofdwoord en wat ervoor staat, beschrijft het. Helblua is „lichtblauw”, malhelruĝa „donkerrood”. Hela en malhela kunnen ook los staan: hela ĉambro „een lichte kamer”. Het voorvoegsel mal- geeft het tegenovergestelde, dus malhela „donker” is letterlijk „on-licht”. Meer over woordvorming, voorvoegsels en achtervoegsels.
Het woordenboek ReVo markeert lila als zeldzaam en citeert het advies om liever helviola „licht violet” te zeggen. Het Nederlandse „lila” heeft dus wel een Esperantowoord, maar dat hoor je zelden.
Eén stam, veel woorden
Omdat een kleur een stam is, kun je de uitgang veranderen of achtervoegsels toevoegen:
| Vorm | Voorbeeld | Nederlands |
|---|---|---|
| zelfstandig naamwoord -o | La ruĝo de la sunsubiro. | Het rood van de zonsondergang. |
| bijwoord -e | Ŝi estis ruĝe vestita. | Ze was in het rood gekleed. |
| -iĝi „worden” | Li ruĝiĝis. | Hij werd rood (hij bloosde). |
| -igi „maken” | Ŝi bluigis la muron. | Ze verfde de muur blauw. |
| -eco „eigenschap” | la blankeco de la neĝo | de witheid van de sneeuw |
| -hara „-harig” | ruĝhara, grizhara | roodharig, grijsharig |
Kleuren in zinnen
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Kiun koloron havas via aŭto? | Welke kleur heeft je auto? |
| Ĝi estas blua. | Hij is blauw. |
| Kiu estas via plej ŝatata koloro? | Wat is je favoriete kleur? |
| Mi ŝatas la verdan koloron. | Ik hou van de kleur groen. |
| Mi aĉetis du nigrajn ŝuojn. | Ik heb twee zwarte schoenen gekocht. |
| La ĉielo estas helblua. | De lucht is lichtblauw. |
Let op de uitgangen: in du nigrajn ŝuojn krijgen beide woorden het meervoud -j en de accusatief -n. Zie zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. En een valkuil: in Ĝi estas blua staat ĝi „het”, ook al zeggen we over een auto in het Nederlands „hij”. Li „hij” gebruik je alleen voor een man of jongen.
De kleur van het Esperanto
Groen is sinds de beginjaren de kleur van de Esperantobeweging. De Esperantovlag, aangenomen op het eerste Wereldcongres in 1905, is groen met een wit vierkant waarin een groene ster staat, de verda stelo „groene ster”. Het groene veld wordt meestal uitgelegd als symbool van hoop. Zie de vlag en symbolen van het Esperanto.
Veelgestelde vragen
Hoe zeg je de kleuren in het Esperanto?
De basiskleuren zijn ruĝa (rood), oranĝa (oranje), flava (geel), verda (groen), blua (blauw), viola (paars), bruna (bruin), griza (grijs), nigra (zwart) en blanka (wit).
Hoe zeg je „lichtblauw” en „donkerblauw” in het Esperanto?
Helblua is lichtblauw en malhelblua donkerblauw. Dat werkt bij elke kleur: helverda, malhelverda enzovoort.
Wat is „roze” in het Esperanto?
Rozkolora „rooskleurig”, of gewoon roza. Het woordenboek ReVo vermeldt beide.
Krijgen kleuren een andere uitgang in het Esperanto?
Ja. Als bijvoeglijk naamwoord krijgen ze -j voor het meervoud en -n voor de accusatief, passend bij hun zelfstandig naamwoord: Mi vidas ruĝajn florojn – „Ik zie rode bloemen”.
Bronnen
- ReVo: ruĝa, blua, verda, flava
- ReVo: rozo, roza, rozkolora
- ReVo: violo, viola
- ReVo: purpuro
- ReVo: oranĝo, oranĝa
- ReVo: hela
- ReVo: lila
- ReVo: turkiso
- Fundamento de Esperanto – grammatica in het Engels (bijvoeglijke naamwoorden)
- Wikipedia: Esperantosymbolen, Esperantovlag
- Wikipedia: Esperanto symbols (Engels)
Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.