Saluton-cursus
Esperanto les 7: vragen stellen met ĉu en ki-woorden
Eén woord maakt een ja/nee-vraag; zeven woorden die met ki- beginnen stellen alle andere vragen.
Eén ding tegelijk: de dialoog regel voor regel, nieuwe woorden met geluid en plaatjes, één oefening per scherm.
35 woorden17 oefeningen~17 min
In deze les leer je vragen stellen. Zet ĉu voor een bewering en het wordt een ja/nee-vraag – zonder dat je werkwoord en onderwerp hoeft om te draaien. Voor al het andere zijn er vraagwoorden die allemaal met ki- beginnen: kio „wat”, kiu „wie, welke”, kie „waar”, kiam „wanneer”, kial „waarom”, kiel „hoe” en kiom „hoeveel”. Je antwoordt met jes, ne en ĉar „omdat”.
Dialoog
Juli. Tomo is aangekomen in de congresstad en kan het congresgebouw niet vinden. Hij ziet een vrouw met een groene ster.
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Tomo: Pardonu, ĉu vi parolas Esperanton? Mi vidas vian verdan stelon. | Pardon, spreek je Esperanto? Ik zie je groene ster. |
| Keiko: Jes, kompreneble! Ĉu vi venas al la kongreso? | Ja, natuurlijk! Kom je naar het congres? |
| Tomo: Jes. Sed kio estas la adreso de la kongresejo? | Ja. Maar wat is het adres van het congresgebouw? |
| Keiko: Ne gravas, mi ankaŭ iras tien. Kiel vi nomiĝas? | Geen probleem, ik ga er ook naartoe. Hoe heet je? |
| Tomo: Mi nomiĝas Tomo. Kaj vi? | Ik heet Tomo. En jij? |
| Keiko: Mi estas Keiko, el Japanio. | Ik ben Keiko, uit Japan. |
| Tomo: Kiam vi alvenis? | Wanneer ben je aangekomen? |
| Keiko: Hieraŭ. La flugo estis tre longa! Kaj de kie vi venas? | Gisteren. De vlucht was heel lang! En waar kom jij vandaan? |
| Tomo: El Pollando. Kiom longe vi lernas Esperanton? | Uit Polen. Hoe lang leer je al Esperanto? |
| Keiko: De dek jaroj. Kaj vi? | Al tien jaar. En jij? |
| Tomo: Nur de naŭ monatoj. | Pas negen maanden. |
| Keiko: Vi parolas tre bone! Kial vi lernas ĝin? | Je spreekt heel goed! Waarom leer je het? |
| Tomo: Ĉar mi ŝatas lingvojn… kaj ĉar mia amikino Ana estas ĉi tie. | Omdat ik talen leuk vind… en omdat mijn vriendin Ana hier is. |
| Ana: Tomo! Ĉu vere estas vi? | Tomo! Ben jij het echt? |
| Tomo: Ana! Finfine! | Ana! Eindelijk! |
| Keiko: Ho, do ŝi estas la fama Ana! Kiu volas kafon? | Oh, dus zij is die beroemde Ana! Wie wil er koffie? |
Kiom longe vi lernas…? gebruikt de tegenwoordige tijd, omdat het leren nog doorgaat. De + een tijdsduur betekent „al … lang” (en het duurt nog voort): Mi lernas Esperanton de naŭ monatoj – „Ik leer al negen maanden Esperanto”. Net als in het Nederlands gebruik je hier dus de tegenwoordige tijd.
Nieuwe woorden
| Esperanto | Nederlands | Toelichting |
|---|---|---|
| ĉu | (woord voor ja/nee-vragen); of | |
| kio | wat | kion als lijdend voorwerp |
| kiu | wie; welke, welk | kiun als lijdend voorwerp |
| kie | waar | de kie „waarvandaan” |
| kiam | wanneer | |
| kial | waarom | |
| kiel | hoe | Kiel vi nomiĝas? |
| kiom | hoeveel | kiom longe „hoe lang” |
| ĉar | omdat; want | |
| pardonu | pardon, sorry | van pardoni „vergeven” |
| paroli | spreken | les 6; paroli Esperanton |
| lerni | leren | |
| nomiĝi | heten | Mi nomiĝas Tomo. |
| alveni | aankomen | al „naar” + veni „komen” |
| stelo | ster | la verda stelo „de groene ster” |
| adreso | adres | |
| kongreso | congres | kongresejo „congresgebouw” |
| flugo | vlucht | |
| jaro | jaar | |
| monato | maand | |
| lingvo | taal | |
| amikino | vriendin | amiko + -in- |
| fama | beroemd | |
| nur | alleen, maar, pas | |
| tien | daarheen | les 9 |
Grammatica
Ja/nee-vragen met ĉu
Voor een ja/nee-vraag zet je ĉu aan het begin van de zin. Verder verandert er niets. De volledige regels staan op de pagina vragen en ontkenning. Het Nederlands vormt een ja/nee-vraag door werkwoord en onderwerp om te draaien („Spreek je Esperanto?”); in het Esperanto draai je niets om, maar zet je ĉu vooraan.
| Bewering | Vraag |
|---|---|
| Vi parolas Esperanton. – Je spreekt Esperanto. | Ĉu vi parolas Esperanton? – Spreek je Esperanto? |
| Ana estas ĉi tie. – Ana is hier. | Ĉu Ana estas ĉi tie? – Is Ana hier? |
| Vi alvenis hieraŭ. – Je bent gisteren aangekomen. | Ĉu vi alvenis hieraŭ? – Ben je gisteren aangekomen? |
Antwoord met jes of ne, het liefst met een korte zin: Jes, mi parolas. / Ne, mi ne parolas. Om een bevestiging te vragen voeg je aan het eind ĉu ne? toe: Vi venos, ĉu ne? – „Je komt toch?”
Zeven vraagwoorden
Al deze woorden beginnen met ki-. Ze horen bij een grotere familie van 45 woorden, de correlatieven, die je in les 11 als volledige tabel ziet.
| Woord | Betekenis | Voorbeeld |
|---|---|---|
| kio | wat (een zaak) | Kio okazis? – Wat is er gebeurd? |
| kiu | wie; welke, welk | Kiu volas kafon? – Wie wil koffie? |
| kie | waar | Kie estas la kongresejo? – Waar is het congresgebouw? |
| kiam | wanneer | Kiam vi alvenis? – Wanneer ben je aangekomen? |
| kial | waarom | Kial vi lernas Esperanton? – Waarom leer je Esperanto? |
| kiel | hoe | Kiel vi fartas? – Hoe gaat het met je? |
| kiom | hoeveel | Kiom kostas la kafo? – Hoeveel kost de koffie? |
Let op: het Nederlandse „wie” en „welke/welk” zijn in het Esperanto hetzelfde woord, kiu: Kiu volas kafon? – „Wie wil koffie?”, maar ook Kiu libro? – „Welk boek?”. En voor „hoe” kiest het Esperanto tussen kiel (op welke manier) en kia (wat voor soort, zoals in „Hoe is het weer?”).
Voor „hoeveel” met een zelfstandig naamwoord voeg je da toe: Kiom da lingvoj vi parolas? – „Hoeveel talen spreek je?” Het zelfstandig naamwoord na da krijgt nooit -n.
Vraagwoorden met -n
Is het vraagwoord het lijdend voorwerp, dan krijgt het -n, net als een zelfstandig naamwoord: kio → kion, kiu → kiun.
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Kion vi trinkas? | Wat drink je? |
| Kiun vi vidas? | Wie zie je? |
| Kiu vidas vin? | Wie ziet jou? |
Kial beantwoorden met ĉar
Kial? vraagt naar een reden en ĉar geeft die: Kial vi lernas Esperanton? – Ĉar mi ŝatas lingvojn. – „Waarom leer je Esperanto? – Omdat ik talen leuk vind.” Ĉar is zowel „omdat” als „want”. Na „omdat” zet het Nederlands het werkwoord achteraan („omdat ik talen leuk vind”); in het Esperanto verandert de woordvolgorde na ĉar niet: ĉar mi ŝatas lingvojn.
Oefeningen
Cultuurhoekje
Niemand weet precies hoeveel mensen Esperanto spreken. Serieuze schattingen lopen uiteen van ongeveer 60.000 (Svend Vendelbo Nielsen, 2017) tot zo'n 2 miljoen (de enquêtes van Sidney Culbert), en tegen maart 2020 waren zo'n 2,8 miljoen mensen aan de Esperanto-cursussen van Duolingo begonnen. Tomo's herkenningsteken heeft ook een geschiedenis: de groene ster werd begin jaren 1890 een teken waaraan Esperanto-sprekers elkaar herkennen. Zie hoeveel mensen Esperanto spreken.
Veelgestelde vragen
Kan ik een vraag stellen zonder ĉu?
In gesproken taal kan stijgende intonatie alleen al een vraag maken, zoals in Ana's Vi kuiras? in les 4. Schriftelijk maakt ĉu de vraag duidelijk, en het is de standaardvorm.
Wat is het verschil tussen kio en kiu?
Kio vraagt in het algemeen naar een zaak: Kio estas tio? – „Wat is dat?”. Kiu vraagt naar een persoon, of naar één van meerdere dingen: Kiu libro? – „Welk boek?”.
Hoe antwoord ik op een ontkennende vraag?
Gebruik een volledige zin. Bij Ĉu vi ne volas kafon? – „Wil je geen koffie?” – begrijpen sprekers jes en ne op verschillende manieren, dus zeg Jes, mi volas of Ne, mi ne volas. Een woord als het Nederlandse „jawel” kent het Esperanto niet.
Bronnen
- Fundamento de Esperanto – grammatica in het Engels
- PMEG: Ĉu-demandoj (ja/nee-vragen)
- PMEG: Respondvortoj (antwoordwoorden, ontkennende vragen)
- PMEG: Tabelvortoj – bazaj reguloj (ki-woorden)
- Libera Folio: „Nova takso: 60.000 parolas Esperanton” (2017)
- Libera Folio: „Kie estas la Duolinganoj?” (2020)
- Wikipedia (nl): Symbolen van Esperanto (de groene ster)
- Vikipedio: Verda stelo
Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.