Esperantopedia

Woordenboek · zelfstandig naamwoord

pasado

pasado/paˈsa.do/

Officiële stam pas- (Fundamento, 1905)

pasado is een Esperanto-woord (zelfstandig naamwoord) met de betekenis ‘het voorbijgaan’.

Betekenis

het voorbijgaan

Reta Vortaro (ReVo), GPL 2.0

Definitie in het Esperanto

  1. Irado, transirado, daŭrado dum pli-malpli longa tempo
    • la pasado tra la arbaro estas malfacila
    • mi vidas […] per via maltrankvila pasado kaj senorda svingado de l' manoj, ke en la nuna momento vi sentas malesperon

Reta Vortaro (ReVo), GPL 2.0 · reta-vortaro.de

Uitspraak

IPA
/paˈsa.do/
Lettergrepen
pa·SA·do

Woordopbouw

  1. passtampasi
  2. adachtervoegselvoortdurende handeling
  3. ouitgangzelfstandig naamwoord

Vormen

enkelvoudmeervoud
onderwerppasadopasadoj
lijdend voorwerp (-n)pasadonpasadojn

Voorbeeldzinnen

  • La larĝo de la koridoro ebligu la pasadon de rulseĝo.De gang moet breed genoeg zijn om een rolstoel door te laten. #484653pasadon → pasado: het voorbijgaan

Tatoeba, CC BY 2.0 FR

Verwante woorden

pas-

In andere talen

Englishpassage
Portuguêspassagem
Françaispassage (action)
Deutschdas Passieren, Passage
Polskiprzechodzenie
Русскийпрохождение
Українськапрохід, проходження
Češtinachůze, míjení
Slovenčinachôdza
Magyarhaladás, áthaladás, múlás
Românătrecere
Беларускаяпраходжаньне

Reta Vortaro (ReVo), GPL 2.0

Uitspraak, woordopbouw en vormen: Esperantopedia, CC BY-SA 4.0

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.