Esperantopedia

Zinnen

Stad, richtingen en vervoer in het Esperanto

Benoem plaatsen en voertuigen, kies tussen iri en veturi, en voeg -n toe om „waar je bent” te veranderen in „waar je naartoe gaat”.

Bijgewerkt: 4 min. leestijd

Een stad is een urbo, een straat een strato, en je verplaatst je met iri „gaan” of veturi „rijden, met een voertuig reizen”. Richtingen zijn bijwoorden: dekstre betekent „rechts” (de plaats) en dekstren „naar rechts”, want de uitgang -n geeft beweging aan. Deze pagina voegt stadswoorden en richtingen toe aan het stuk over vervoer in reiszinnen, waar kaartjes, stations en de eerste richtingzinnen staan. In de uitspraakkolom staat elk woord in lettergrepen, met de beklemtoonde lettergreep in hoofdletters.

Plaatsen in de stad

NederlandsEsperantoUitspraakToelichting
stadurboUR-bo
stadjeurbetour-BE-to-et- „klein”
dorpvilaĝovi-LA-ĝo
hoofdstadĉefurboĉe-FUR-boĉef- „hoofd-”
stadscentrumurbocentro, centrour-bo-CEN-tro, CEN-tro
wijkkvartalokvar-TA-lo
straatstratoSTRA-to
pleinplacoPLA-co
brugpontoPON-to
kruispuntvojkruciĝovoj-kru-CI-ĝo
verkeerslichtsemaforose-ma-FO-roReVo geeft ook trafiklumo
parkparkoPAR-ko
bankbankoBAN-ko
postkantoorpoŝtoficejopoŝ-to-fi-CE-jo
kerk, gebedshuispreĝejopre-ĜE-jopreĝi „bidden”
museummuzeomu-ZE-o
ziekenhuishospitalohos-pi-TA-lo
apotheekapotekoa-po-TE-ko
supermarktsuperbazarosu-per-ba-ZA-rosuper- + bazaro „markt”

Veel namen gebruiken -ej- „plaats”: preĝi geeft preĝejo, halti „stoppen” geeft haltejo, en buso + haltejo geeft bushaltejo. Flug- „vlucht” + haveno „haven” is flughaveno, „luchthaven”. Zie woordvorming.

Voertuigen en openbaar vervoer

NederlandsEsperantoUitspraakToelichting
autoaŭtoAŬ-toKort voor aŭtomobilo
busbusoBU-soKort voor aŭtobuso
treintrajnoTRAJ-no
tramtramoTRA-mo
metrometroome-TRO-o
fietsbiciklobi-CI-klobiciklisto „fietser”
taxitaksiotak-SI-o
vliegtuigaviadiloa-vi-a-DI-loaviado „luchtvaart” + -il- „gereedschap”
schipŝipoŜI-po
treinstationstacidomosta-ci-DO-mo

Aŭtobuso, aviadilo en taksio komen uit de Officiële Aanvullingen van de Academie, niet uit de oorspronkelijke woordenlijst van het Fundamento.

Bewegingswerkwoorden

NederlandsEsperantoUitspraakVoorbeeld
gaaniriI-riMi iras al la parko. – Ik ga naar het park.
rijden, met een voertuig reizenveturive-TU-riNi veturas per trajno. – We reizen met de trein.
lopen, te voet gaanpiediripi-e-DI-riMi iras piede. – Ik ga te voet.
vliegenflugiFLU-giMia fratino flugas al Romo. – Mijn zus vliegt naar Rome.
aankomenalvenial-VE-niNi alvenos en Parizo je la deka. – We komen om tien uur in Parijs aan.
vertrekken, weggaanforirifo-RI-riLa buso foriras de la stacidomo. – De bus vertrekt van het station.
overstekentransiritran-SI-riNi transiras la ponton. – We steken de brug over.
binnengaan, naar buiten gaaneniri, elirie-NI-ri, e-LI-riŜi eniras en la muzeon. – Ze gaat het museum binnen.

Iri is het algemene werkwoord, vergelijkbaar met ons „gaan”. ReVo definieert het als je verplaatsen met je ledematen of in een voertuig, en veturi als gaan zonder te lopen, gedragen door een of ander middel. Dus Li iros per buso „Hij gaat met de bus” is correct, en veturi legt de nadruk op de rit. Noem het voertuig met per: per buso, per trajno, per biciklo – dus ook Mi iras per biciklo „Ik ga met de fiets”. Het voorvoegsel al- geeft aankomst en for- vertrek; zie voorvoegsels.

NederlandsEsperantoUitspraakToelichting
rechts (plaats)dekstreDEKS-trePlaats: La banko estas dekstre. – De bank is rechts.
naar rechtsdekstrenDEKS-trenBeweging: Iru dekstren. – Ga naar rechts.
links (plaats)maldekstremal-DEKS-tremal- geeft het tegenovergestelde
naar linksmaldekstrenmal-DEKS-tren
rechtdoorrekteREK-teGeen -n: Iru rekte. – Ga rechtdoor.
vooruit, achteruitantaŭen, malantaŭenan-TAŬ-en, ma-lan-TAŬ-enrekte antaŭen „rechtdoor vooruit”
terug (de weg die je kwam)reenRE-entien kaj reen „heen en terug”; returne heeft dezelfde betekenis
omhoog, omlaagsupren, malsuprenSU-pren, mal-SU-pren
dichtbij, ver wegproksime, malproksimeprok-SI-me, mal-prok-SI-meproksime de la parko „dicht bij het park”

De bijvoeglijke naamwoorden zijn dekstra en maldekstra: sur la dekstra flanko „aan de rechterkant”. In reen mag de -n niet wegvallen, want ree betekent „opnieuw”. Hetzelfde paar, één vorm voor de plaats en één voor de richting, werkt bij tie en tien, kie en kien, hejme en hejmen; zie bijwoorden en correlatieven.

Noord, zuid, oost en west

NederlandsZelfstandig naamwoordUitspraakOp, in (-e)Naar (-en)
noordennordoNOR-donordenorden
zuidensudoSU-dosudesuden
oostenorientoo-ri-EN-toorienteorienten
westenokcidentook-ci-DEN-tookcidenteokcidenten

Gebruik norde de voor „ten noorden van”: La parko estas norde de la centro. – „Het park ligt ten noorden van het centrum.” Gebruik -en voor beweging: Ni veturas norden. – „We rijden naar het noorden.” De zelfstandige naamwoorden benoemen streken: en la nordo de la lando „in het noorden van het land”.

Naast, tegenover, achter

EsperantoNederlandsUitspraakVoorbeeld
apudnaast, bijA-pudapud la parko
kontraŭtegenoverKON-traŭkontraŭ la banko
antaŭvoorAN-taŭantaŭ la muzeo
malantaŭachterma-LAN-taŭmalantaŭ la preĝejo
intertussenIN-terinter la ponto kaj la placo
ĉebij, aanĈEĉe la semaforo
ĝistot aanĜISĝis la ponto

Meer over voorzetsels.

De weg vragen

EsperantoNederlands
Pardonu, kie estas la apoteko?Pardon, waar is de apotheek?
Kiel mi iru al la muzeo?Hoe kom ik bij het museum?
Ĉu la banko estas proksime?Is de bank in de buurt?
Kien iras ĉi tiu tramo?Waar gaat deze tram naartoe?

Kiel mi iru? vraagt letterlijk „Hoe moet ik gaan?”: de uitgang -u drukt wil of wens uit, en PMEG merkt op dat een vraag als Ĉu ni iru…? vaak als beleefd voorstel werkt.

EsperantoNederlands
Iru rekte antaŭen ĝis la ponto.Ga rechtdoor tot aan de brug.
Turniĝu dekstren ĉe la dua strato.Sla bij de tweede straat rechtsaf.
Ĉe la semaforo turniĝu maldekstren.Sla bij het verkeerslicht linksaf.
Transiru la straton kaj iru maldekstren.Steek de straat over en ga naar links.
La muzeo estas apud la parko, kontraŭ la banko.Het museum ligt naast het park, tegenover de bank.
Ĝi ne estas malproksime. Vi estos tie post kvin minutoj.Het is niet ver. Over vijf minuten ben je er.

Dua „tweede” is een rangtelwoord, gevormd uit du met -a; zie telwoorden. Om af te slaan geeft ReVo turniĝi en sin turni „zichzelf draaien” voor het veranderen van richting, terwijl gewoon turni betekent dat je iets draait, zoals een sleutel.

Waarom „en la urbon”? Richting met -n

Plaats (zonder -n)Richting (-n)
Mi estas en la urbo. – Ik ben in de stad.Mi iras en la urbon. – Ik ga de stad in.
La infanoj kuras en la parko. – De kinderen rennen rond in het park.La infanoj kuras en la parkon. – De kinderen rennen het park in.
Li estas hejme. – Hij is thuis.Li iras hejmen. – Hij gaat naar huis.
Kie vi estas? – Waar ben je?Kien vi iras? – Waar ga je naartoe?

De Nederlandse parallel zie je in „in de stad” (plaats) tegenover „de stad in” (richting): wat wij met het achtergeplaatste „in” aangeven, doet het Esperanto met de -n achter het zelfstandig naamwoord.

Er zijn vier manieren om „ik ga naar de stad” te zeggen:

EsperantoHoe het werkt
Mi iras al la urbo.Het voorzetsel al betekent al „naar”, dus geen -n. De gebruikelijke keuze.
Mi iras en la urbon.De stad in: een plaatsvoorzetsel plus -n.
Mi iras urben.Het plaatsbijwoord urbe „in de stad” plus -n.
Mi veturos Parizon.Een naam plus -n, zoals in het Fundamento. PMEG noemt dit zeldzaam en bijna verouderd; al Parizo is normaal.

Zet nooit -n na al, ĝis, el of de, die zelf al richting aangeven: ĝis la ponto, el la urbo. Bij alveni accepteert PMEG zowel alveni en Parizo als alveni en Parizon. De volledige regels staan op de pagina over de accusatief.

Veelgestelde vragen

Hoe zeg je „stad” in het Esperanto?

Urbo. Een stadje is urbeto, de hoofdstad is ĉefurbo en een dorp is vilaĝo.

Wat is het verschil tussen iri en veturi?

Iri is „gaan”, te voet of in een voertuig. Veturi betekent gaan terwijl een voertuig je draagt, zoals een auto, trein of schip: veturi per trajno.

Maldekstre en dekstre vertellen waar iets is; maldekstren en dekstren vertellen waarheen je gaat. De bijvoeglijke naamwoorden zijn maldekstra en dekstra.

Hoe vraag je de weg in het Esperanto?

Zeg Pardonu, kiel mi iru al…? – „Pardon, hoe kom ik bij…?” Vraag daarna Ĉu ĝi estas malproksime? – „Is het ver?”

Hoe zeg je noord, zuid, oost en west in het Esperanto?

Nordo, sudo, oriento en okcidento. Voeg -en toe voor richting (norden „noordwaarts”) en -e voor plaats (norde de la urbo „ten noorden van de stad”).

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.