Esperantopedia

Leren

De 100 meest gebruikte Esperanto-woorden

Leer deze 100 woorden en je herkent ongeveer de helft van de woorden in een gewone Esperanto-tekst.

Bijgewerkt: 3 min. leestijd

De 100 meest gebruikte Esperanto-woorden vormen 52,7% van alle woorden in de Tekstaro, een corpus van meer dan 10 miljoen woorden. De meeste zijn korte grammaticale woordjes – la „de, het”, de „van”, kaj „en” – aangevuld met een paar veelvoorkomende werkwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden. De tabel hieronder geeft alle 100 op volgorde van frequentie, met Nederlandse vertaling en woordsoort.

Hoe is de lijst gemaakt?

De rangorde komt uit een frequentielijst van de Tekstaro de Esperanto, het corpus van de Esperantic Studies Foundation, dat sinds 2002 wordt opgebouwd door Bertilo Wennergren. De lijst is samengesteld uit een kopie van het corpus van 15 maart 2023 en gepubliceerd op Wiktionary onder een CC BY-SA 4.0-licentie. Elk woord wordt in zijn grondvorm geteld: het meervoud -j en de accusatief -n vallen weg en alle werkwoordsvormen tellen mee onder de infinitief op -i. Zo tellen estas, estis en estos alle drie als esti „zijn”.

De vertalingen en woordsoorten zijn van ons. Veel grammaticale woorden hebben meerdere functies; de tabel geeft de belangrijkste.

De lijst

#EsperantoNederlandsWoordsoort
1lade, hetlidwoord
2devan, uit, doorvoorzetsel
3kajenvoegwoord
4enin (met -n: naar binnen)voorzetsel
5estizijn (als in „ik ben”)werkwoord
6alnaar, aan, totvoorzetsel
7miik, mijvoornaamwoord
8neniet, neepartikel
9kiuwie, welke, diecorrelatief
10lihijvoornaamwoord
11kedat (zoals in „ik weet dat…”)voegwoord
12porvoor, om tevoorzetsel
13tiudie, dat (aanwijzend)correlatief
14priovervoorzetsel
15ilizij, ze (meervoud)voornaamwoord
16vije, jij, uvoornaamwoord
17sedmaarvoegwoord
18ĝihet (bij dingen en dieren)voornaamwoord
19siazijn, haar, hun eigenbezittelijk voornaamwoord
20kunmetvoorzetsel
21kielhoe, zoals, alscorrelatief
22tiodat (ding)correlatief
23eluitvoorzetsel
24niwij, we, onsvoornaamwoord
25plimeerbijwoord
26ŝizij, ze (enkelvoud)voornaamwoord
27povikunnen, in staat zijnwerkwoord
28onimen; „je” of „ze” in algemene zinvoornaamwoord
29perdoor middel van, metvoorzetsel
30dirizeggenwerkwoord
31ĉiuelk(e), iedereencorrelatief
32suropvoorzetsel
33aŭofvoegwoord
34miamijnbezittelijk voornaamwoord
35davan (na een hoeveelheid)voorzetsel
36nuralleen, slechtsbijwoord
37havihebbenwerkwoord
38ankaŭookbijwoord
39aliaanderbijvoeglijk naamwoord
40ĉuof; markeert een ja/nee-vraagpartikel
41liazijn (van hem)bezittelijk voornaamwoord
42kiamwanneercorrelatief
43dumtijdens, terwijlvoorzetsel
44seals, indienvoegwoord
45ĉimarkeert nabijheid: tiu ĉi „deze”partikel
46ĉaromdat, wantvoegwoord
47unuééntelwoord
48sizich, zichzelfvoornaamwoord
49kiowatcorrelatief
50plejmeestbijwoord
51provanwege, wegensvoorzetsel
52jarojaarzelfstandig naamwoord
53postna, achtervoorzetsel
54faridoen, makenwerkwoord
55oldanvoegwoord
56devimoetenwerkwoord
57tielzo, op die maniercorrelatief
58ĉebijvoorzetsel
59grandagrootbijvoeglijk naamwoord
60viajouw, uwbezittelijk voornaamwoord
61eĉzelfsbijwoord
62jamal, reedsbijwoord
63intertussen, ondervoorzetsel
64homomenszelfstandig naamwoord
65nunnubijwoord
66lingvotaalzelfstandig naamwoord
67niaons, onzebezittelijk voornaamwoord
68landolandzelfstandig naamwoord
69laŭvolgens, langsvoorzetsel
70antaŭvoor, vóór (in plaats en tijd)voorzetsel
71trezeer, heelbijwoord
72EsperantoEsperantozelfstandig naamwoord
73tamenechter, tochbijwoord
74dutweetelwoord
75tiedaarcorrelatief
76novanieuwbijvoeglijk naamwoord
77dodus, dan, daarompartikel
78ĝistot, tot aanvoorzetsel
79kontraŭtegen, tegenovervoorzetsel
80vidizienwerkwoord
81iliahunbezittelijk voornaamwoord
82jealgemeen voorzetsel (je la tria „om drie uur”)voorzetsel
83voliwillenwerkwoord
84multaveelbijvoeglijk naamwoord
85tiazo'n, zulk(e), van die soortcorrelatief
86sciiweten (een feit)werkwoord
87unuaeerstebijvoeglijk naamwoord (rangtelwoord)
88ĝiazijn, haar (van een ding of dier)bezittelijk voornaamwoord
89tutehelemaal, volledigbijwoord
90kelkaenkele, een paar (meestal kelkaj)bijvoeglijk naamwoord
91venikomenwerkwoord
92okazigebeurenwerkwoord
93memzelf (nadruk)partikel
94tutageheel, helebijvoeglijk naamwoord
95kiewaarcorrelatief
96iuiemand, een zekerecorrelatief
97ankoraŭnogbijwoord
98tiamtoen, dancorrelatief
99internaciainternationaalbijvoeglijk naamwoord
100jaimmers, tochpartikel

Wat de lijst je vertelt

Grammaticale woorden domineren. Ongeveer twee derde van de lijst bestaat uit grammaticale woorden: voorzetsels, voornaamwoorden, bezittelijke voornaamwoorden, voegwoorden, partikels, correlatieven, telwoorden en het lidwoord. Deze gesloten groepen zijn klein: Esperanto heeft in totaal 33 voorzetsels en 45 correlatieven. Ze vroeg leren loont snel. Zie voorzetsels, voornaamwoorden en correlatieven.

De eerste inhoudswoorden zijn basaal. De meest gebruikte werkwoorden zijn esti, povi, diri, havi, fari, devi, vidi, voli, scii, veni en okazi. De meest gebruikte zelfstandige naamwoorden zijn jaro, homo, lingvo en lando.

De dekking groeit langzaam na de eerste paar honderd woorden. In dezelfde lijst dekken 500 woorden 68,8% van het corpus, 1.000 woorden 76,2%, 2.000 woorden 83,5% en 10.000 woorden 96,1%.

Aandeel van het corpus dat de meest gebruikte woorden dekken
Gegevens tonen
Meest gebruikte woordenAandeel van het corpus
10052,7%
20059,6%
50068,8%
1.00076,2%
2.00083,5%
5.00091,7%
10.00096,1%

Woordvorming vermenigvuldigt wat je weet. Eén stam levert veel woorden op: san- geeft sana „gezond”, malsana „ziek”, malsanulo „zieke, patiënt” en malsanulejo „ziekenhuis”. Een lijst met stammen leert je daarom meer dan evenveel Nederlandse woorden. Zie woordvorming.

Valse vrienden voor Nederlandstaligen

Zes woorden uit de top 100 lijken op een Nederlands woord maar betekenen iets anders. Let er vooral op bij de allereerste woorden die je leert.

EsperantoLijkt op NederlandsBetekent in het Esperanto
en„en” (Esperanto: kaj)„in”
de„de” (Esperanto: la)„van, uit, door”
ja„ja” (Esperanto: jes)„immers, toch”
je„je” (Esperanto: vi)algemeen voorzetsel
al„al” (Esperanto: jam)„naar, aan, tot”
post„post” (Esperanto: poŝto)„na, achter”

De grenzen van deze lijst

De Tekstaro bevat alleen geschreven taal: de werken van Zamenhof (ook zijn bijbelvertaling), andere klassiekers en recentere teksten. Dat verklaart woorden als internacia in de top 100, en s-ro (afkorting van sinjoro „meneer”), UEA en Eternulo „de Eeuwige” in de tweede honderd. Woorden uit het alledaagse gesprek staan veel lager: danki „bedanken” is nummer 1.041 en saluto „groet” (zoals in Saluton!) nummer 1.870. Voor gesproken zinnen, zie Basiszinnen in het Esperanto. Voor een langere lijst, opgebouwd uit alledaagse zinnen, met downloads in CSV en voor Anki, zie de 1.000 meest gebruikte Esperanto-woorden.

Twee andere naslagwerken zijn nuttig. De Baza Radikaro Oficiala (1974) van de Academie van Esperanto deelt zo'n 2.500 basiselementen, voornamelijk stammen, in negen groepen in, door oudere frequentielijsten te vergelijken. De Zagreb-methode, vanaf eind jaren zeventig in Zagreb ontwikkeld, bouwt haar beginnerscursus op rond ongeveer 500 van de meest voorkomende morfemen (stammen en voor- en achtervoegsels).

Veelgestelde vragen

Wat is het meest gebruikte woord in het Esperanto?

Het lidwoord la „de, het”. Daarna volgen de „van”, kaj „en”, en „in” en esti „zijn”.

Hoeveel woorden heb ik nodig om Esperanto te spreken?

Beginnerscursussen volgens de Zagreb-methode leren ongeveer 500 veelgebruikte morfemen (stammen en voor- en achtervoegsels) voor eenvoudige gesprekken. Omdat stammen en voor- en achtervoegsels te combineren zijn, geven ze je veel meer dan 500 woorden.

Hoeveel woorden heeft Esperanto?

Duizenden stammen, en een open aantal woorden die ervan gevormd worden. Het officiële woordenboek van de Academie noemt zo'n 5.000 elementen, en alleen al de frequentielijst van Wiktionary rangschikt 15.000 woordvormen.

Waar kan ik een Esperanto-frequentielijst downloaden?

De lijst van de Tekstaro staat op Wiktionary; een versie die makkelijker te verwerken is, met Engelse vertalingen, staat op GitHub (Vanege). Beide vallen onder CC BY-SA 4.0.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.