Esperantopedia

Leren

De 120 meest gebruikte Esperanto-bijvoeglijke naamwoorden

Eén uitgang, één regel voor overeenkomst en een voorvoegsel voor tegenstellingen: 120 bijvoeglijke naamwoorden, elk met betekenis, tegenstelling en voorbeeld.

Bijgewerkt: 8 min. leestijd

De meest gebruikte Esperanto-bijvoeglijke naamwoorden zijn bona „goed”, alia „ander”, granda „groot”, multa „veel”, bela „mooi” en nova „nieuw”. Onze lijst van 1.000 veelgebruikte woorden bevat 120 bijvoeglijke naamwoorden, die hieronder allemaal staan. Samen vormen ze 3,2% van alle woorden in een corpus van 5,8 miljoen woorden uit alledaagse Esperanto-zinnen, en de tien meest voorkomende vormen er 1,2% van. Een bijvoeglijk naamwoord eindigt op -a en neemt de -j en -n van zijn zelfstandig naamwoord over, dus één korte les over zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden dekt alle 120.

Eén uitgang, twee aanpassingen

Elk bijvoeglijk naamwoord in de lijst eindigt op -a, behalve ambaŭ „beide”. Voeg -j toe voor het meervoud en -n voor het lijdend voorwerp, altijd in die volgorde.

EnkelvoudMeervoud
Onderwerpnova libronovaj libroj
Lijdend voorwerp (-n)novan libronnovajn librojn
  • Geen -n na esti: La libro estas nova. – „Het boek is nieuw.” La libroj estas novaj. – „De boeken zijn nieuw.”
  • Geen -e zoals in het Nederlands. Het Nederlandse bijvoeglijk naamwoord krijgt vaak een -e („het nieuwe boek”, „de grote huizen”) en blijft soms kaal („een groot huis”). In het Esperanto eindigt het altijd op -a, voor en na het zelfstandig naamwoord.
  • De volgorde is vrij. Nova libro en libro nova zijn allebei juist; PMEG merkt op dat een bijvoeglijk naamwoord na zijn zelfstandig naamwoord vaak nadruk krijgt.
  • Zonder zelfstandig naamwoord. Taalnamen laten het woord lingvo weg: Ŝi parolas la francan. – „Zij spreekt Frans.” Bijvoeglijke naamwoorden van hoeveelheid staan vaak alleen: Multaj scias tion. – „Velen weten dat.”
  • Ambaŭ is de uitzondering. Het neemt noch -j noch -n, en het combineert niet met la: ambaŭ knabinoj – „beide meisjes”, Mi vidis ambaŭ knabinojn. – „Ik zag beide meisjes.”

De 10 bijvoeglijke naamwoorden om als eerste te leren

Dit is onze eigen keuze, geen officiële lijst. Zes van de tien zijn de zes meest voorkomende bijvoeglijke naamwoorden van allemaal: bona, alia, granda, multa, bela en nova. De volgende vier in frequentie, tuta „heel”, kelka „enkele”, sola „alleen” en unua „eerste”, werken als kleine woorden voor hoeveelheid en volgorde en komen direct daarna. In hun plaats nemen we de tegenstellingen malbona en malgranda, plus feliĉa en malfacila, omdat een beginner ze in de eerste gesprekken nodig heeft.

Bijvoeglijk naamwoordNederlandsTegenstellingWaarom eerst
bonagoedmalbonaHet meest voorkomende bijvoeglijk naamwoord, ongeveer één woord op de 500: Bonan tagon! – „Goedendag!”
malbonaslechtbonaHet eerste woord met mal- dat je tegenkomt
grandagrootmalgrandaGrootte; grandega „enorm” staat ook in de lijst
malgrandakleingrandaMaakt het grootteduo compleet
novanieuwmalnovaDingen en nieuws; malnova betekent „oud”
belamooimalbelaComplimenten
multaveelmalmultaHoeveelheid: multan dankon – „veel dank”
aliaandersamaOm iets anders vragen
feliĉagelukkigmalfeliĉaWensen: Feliĉan naskiĝtagon! – „Fijne verjaardag!”
malfacilamoeilijkfacilaPraten over leren; facila „gemakkelijk” kost geen extra stam

De 120 meest gebruikte Esperanto-bijvoeglijke naamwoorden

Rang is de positie van het bijvoeglijk naamwoord onder alle 1.000 woorden van de lijst, dus bona op 57 is het eerste bijvoeglijk naamwoord dat verschijnt. De kolom Tegenstelling toont het woord dat je voor de omgekeerde betekenis zou gebruiken: het woord met mal- als ReVo, het Reta Vortaro, dat heeft met de gewone tegengestelde betekenis, anders een apart woord dat ReVo ertegenover definieert of als antoniem noemt, en – waar we geen natuurlijk paar vonden. Zeldzame woorden met een smalle betekenis, zoals malpropra of malpreta, zijn weggelaten. De voorbeelden zijn van onszelf; zoek elk bijvoeglijk naamwoord op in het woordenboek.

RangBijvoeglijk naamwoordNederlandsTegenstellingVoorbeeld
57bonagoedmalbona „slecht”Ŝi estas bona instruistino. – „Zij is een goede lerares.”
63aliaandersama „zelfde”Mi volas alian libron. – „Ik wil een ander boek.”
81grandagrootmalgranda „klein”Ili havas grandan domon. – „Zij hebben een groot huis.”
82multaveelmalmulta „weinig”En la ĉambro estas multaj homoj. – „In de kamer zijn veel mensen.”
117belamooimalbela „lelijk”Kia bela tago! – „Wat een mooie dag!”
118novanieuwmalnova „oud (van dingen)”Mi havas novan telefonon. – „Ik heb een nieuwe telefoon.”
123tutaheel, geheel–Mi legis la tutan libron. – „Ik heb het hele boek gelezen.”
143kelkaenkele, een paar–Kelkaj infanoj ludas ekstere. – „Een paar kinderen spelen buiten.”
152solaalleen, enig–Li loĝas sola. – „Hij woont alleen.”
180unuaeerstelasta „laatste”Ĉi tio estas mia unua vizito. – „Dit is mijn eerste bezoek.”
185francaFrans–Ŝi parolas la francan. – „Zij spreekt Frans.”
193anglaEngels–Tio estas angla vorto. – „Dat is een Engels woord.”
229malbonaslechtbona „goed”Hodiaŭ la vetero estas malbona. – „Vandaag is het weer slecht.”
247junajongmaljuna „oud (van personen)”Mia fratino estas ankoraŭ juna. – „Mijn zus is nog jong.”
248lastalaatsteunua „eerste”Ĉu tio estas la lasta trajno? – „Is dat de laatste trein?”
251gravabelangrijkmalgrava „onbelangrijk”Ĉi tiu letero estas tre grava. – „Deze brief is erg belangrijk.”
252longalangmallonga „kort”Ĝi estas longa rivero. – „Het is een lange rivier.”
253feliĉagelukkigmalfeliĉa „ongelukkig”La infanoj estas feliĉaj. – „De kinderen zijn gelukkig.”
268malgrandakleingranda „groot”Mi havas malgrandan hundon. – „Ik heb een kleine hond.”
274propraeigen–Ŝi havas sian propran ĉambron. – „Zij heeft haar eigen kamer.”
277samazelfdemalsama „verschillend”Ni havas la saman nomon. – „Wij hebben dezelfde naam.”
278verawaarmalvera „onwaar”Tio estas vera rakonto. – „Dat is een waar verhaal.”
286ambaŭbeide–Ambaŭ knabinoj ŝatas muzikon. – „Beide meisjes houden van muziek.”
290altahoog, lang (van gestalte)malalta „laag”La monto estas tre alta. – „De berg is erg hoog.”
300ruĝarood–Ŝi portas ruĝan robon. – „Zij draagt een rode jurk.”
306malnovaoud (van dingen)nova „nieuw”Ni loĝas en malnova domo. – „Wij wonen in een oud huis.”
318blankawitnigra „zwart”La neĝo estas blanka. – „De sneeuw is wit.”
343verdagroen–La herbo estas verda. – „Het gras is groen.”
346duatweede–Mi loĝas en la dua etaĝo. – „Ik woon op de tweede verdieping.”
375fortasterkmalforta „zwak”Li estas forta viro. – „Hij is een sterke man.”
379nigrazwartblanka „wit”Mi havas nigran katon. – „Ik heb een zwarte kat.”
386pliaverder, extramalplia „minder”Ĉu vi bezonas pliajn informojn? – „Heb je verdere informatie nodig?”
388malfacilamoeilijkfacila „gemakkelijk”Tiu demando estas tro malfacila. – „Die vraag is te moeilijk.”
394plenavolmalplena „leeg”La glaso estas plena. – „Het glas is vol.”
400germanaDuits–Li havas germanan aŭton. – „Hij heeft een Duitse auto.”
403maljunaoud (van personen)juna „jong”Mia avo estas maljuna. – „Mijn grootvader is oud.”
410japanaJapans–Ni manĝis japanan manĝaĵon. – „Wij aten Japans eten.”
415certazekermalcerta „onzeker”Mi estas certa pri tio. – „Daar ben ik zeker van.”
436bluablauw–La ĉielo estas blua. – „De lucht is blauw.”
441riĉarijkmalriĉa „arm”Li estas riĉa, sed ne feliĉa. – „Hij is rijk, maar niet gelukkig.”
451interesainteressantenuiga „saai”Tio estas interesa libro. – „Dat is een interessant boek.”
453stultadominteligenta „intelligent”Tio estis stulta demando. – „Dat was een domme vraag.”
454strangavreemd, raarnormala „normaal”Mi aŭdis strangan bruon. – „Ik hoorde een vreemd geluid.”
457homamenselijk–Tio estas homa eraro. – „Dat is een menselijke fout.”
483venontavolgend, komendpasinta „vorig”Ni vizitos vin la venontan semajnon. – „Wij komen je volgende week bezoeken.”
490ĝustajuist, correctmalĝusta „onjuist”Ĉu tio estas la ĝusta vojo? – „Is dit de juiste weg?”
513malsanazieksana „gezond”Mia filo estas malsana. – „Mijn zoon is ziek.”
516plurameerdere–Li havas plurajn amikojn en Berlino. – „Hij heeft meerdere vrienden in Berlijn.”
525pasintaverleden, vorigvenonta „volgend”La pasinta semajno estis longa. – „De vorige week was lang.”
537lacamoevigla „levendig”Mi estas tre laca hodiaŭ. – „Ik ben vandaag erg moe.”
539etaklein, heel klein–Ni havas etan kuirejon. – „Wij hebben een heel kleine keuken.”
541pretaklaar–La vespermanĝo estas preta. – „Het avondeten is klaar.”
547liberavrijmallibera „onvrij”Ĉu tiu ĉi loko estas libera? – „Is deze plaats vrij?”
593simplaeenvoudigmalsimpla „ingewikkeld”Mi serĉas simplan solvon. – „Ik zoek een eenvoudige oplossing.”
599varmawarmmalvarma „koud”La kafo estas varma. – „De koffie is warm.”
612faritagedaan, gemaakt–La laboro jam estas farita. – „Het werk is al gedaan.”
613okupatabezig–Ŝi estas tre okupata hodiaŭ. – „Zij is vandaag erg bezig.”
617ŝatatageliefd, favoriet–Ĉi tio estas mia plej ŝatata kanto. – „Dit is mijn favoriete lied.”
619famaberoemd–Ŝi estas fama kantistino. – „Zij is een beroemde zangeres.”
621aĝaoud, bejaardjuna „jong”Kiom aĝa vi estas? – „Hoe oud ben je?”
623bonegauitstekend, geweldigmalbonega „verschrikkelijk”La manĝaĵo estis bonega. – „Het eten was uitstekend.”
626brunabruin–Li havas brunajn okulojn. – „Hij heeft bruine ogen.”
643malvarmakoudvarma „warm”La akvo estas tro malvarma. – „Het water is te koud.”
644usonaAmerikaans (van de VS)–Mia amiko estas usona. – „Mijn vriend is Amerikaan.”
658malmultaweinigmulta „veel”Malmultaj homoj scias tion. – „Weinig mensen weten dat.”
667facilagemakkelijk, eenvoudigmalfacila „moeilijk”Ĉi tiu ekzerco estas facila. – „Deze oefening is gemakkelijk.”
668ĉinaChinees–Mi ŝatas ĉinan teon. – „Ik vind Chinese thee lekker.”
672teruraverschrikkelijkbonega „uitstekend”La vetero estis terura. – „Het weer was verschrikkelijk.”
675afablavriendelijk, aardigmalafabla „onvriendelijk”La vendisto estas tre afabla. – „De verkoper is erg vriendelijk.”
680proksimadichtbij, nabijmalproksima „ver”La stacidomo estas proksima. – „Het station is dichtbij.”
681malsamaverschillendsama „zelfde”Ni havas malsamajn opiniojn. – „Wij hebben verschillende meningen.”
684danĝeragevaarlijksekura „veilig”Tiu strato estas danĝera nokte. – „Die straat is 's nachts gevaarlijk.”
704malfermitaopen, geopendfermita „gesloten”La pordo estas malfermita. – „De deur is open.”
705inteligentaintelligentstulta „dom”Ŝi estas tre inteligenta knabino. – „Zij is een erg intelligent meisje.”
728flavageel–Mi ŝatas flavajn florojn. – „Ik hou van gele bloemen.”
732rusaRussisch–Li legas rusan libron. – „Hij leest een Russisch boek.”
741mallongakortlonga „lang”Mi skribis mallongan leteron. – „Ik heb een korte brief geschreven.”
743fremdavreemd, buitenlands–Ŝi lernas fremdan lingvon. – „Zij leert een vreemde taal.”
752triaderde–Tio estas mia tria taso da teo. – „Dat is mijn derde kop thee.”
756amuzagrappig, leuk–Tiu filmo estas tre amuza. – „Die film is erg grappig.”
759diversadivers, verschillend–Ili vendas diversajn fruktojn. – „Zij verkopen verschillende soorten fruit.”
763saĝawijsmalsaĝa „dwaas”Mia avino estas saĝa virino. – „Mijn grootmoeder is een wijze vrouw.”
764dikadikmaldika „dun”La libro estas tre dika. – „Het boek is erg dik.”
768agrablaaangenaam, prettigmalagrabla „onaangenaam”Ĉi tiu ĉambro estas agrabla. – „Deze kamer is prettig.”
774multekostaduurmalmultekosta „goedkoop”Tiu robo estas tro multekosta. – „Die jurk is te duur.”
776puraschoon, zuivermalpura „vuil”Mia ĉambro estas pura. – „Mijn kamer is schoon.”
784mortintadood, gestorvenviva „levend”Mortinta birdo kuŝas en la ĝardeno. – „Een dode vogel ligt in de tuin.”
796konatabekend–Tiu kanto estas tre konata. – „Dat lied is erg bekend.”
798kiomade hoeveelste, welke in de reeks–Kioma horo estas? – „Hoe laat is het?”
802hispanaSpaans–Mi trinkis hispanan vinon. – „Ik dronk Spaanse wijn.”
806frenezagek, waanzinnig–Tio estas freneza ideo. – „Dat is een gek idee.”
812kontentatevredenmalkontenta „ontevreden”Ni estas kontentaj pri la rezulto. – „Wij zijn tevreden over het resultaat.”
823ĉarmacharmant–Vi havas ĉarman ĝardenon. – „Je hebt een charmante tuin.”
835belegaprachtig–La vido estas belega. – „Het uitzicht is prachtig.”
846grizagrijs–Hodiaŭ la ĉielo estas griza. – „Vandaag is de lucht grijs.”
865okupitabezet–Ĉu ĉi tiu seĝo estas okupita? – „Is deze stoel bezet?”
869bongustalekker–La supo estas bongusta. – „De soep is lekker.”
875mirindageweldig, wonderbaarlijk–Ĝi estis mirinda vojaĝo. – „Het was een geweldige reis.”
878ĉefavoornaamste, hoofd-–Tio estas la ĉefa problemo. – „Dat is het voornaamste probleem.”
879fermitageslotenmalfermita „open”La vendejo estas fermita hodiaŭ. – „De winkel is vandaag gesloten.”
887antikvaoud, uit de oudheidmoderna „modern”Ni vizitis antikvan urbon. – „Wij bezochten een stad uit de oudheid.”
897malriĉaarmriĉa „rijk”Ili estis malriĉaj, sed feliĉaj. – „Zij waren arm, maar gelukkig.”
898rapidasnelmalrapida „langzaam”Ŝi estas rapida kuristino. – „Zij is een snelle loopster.”
905sekvavolgendantaŭa „vorig”La sekva trajno foriras je la deka. – „De volgende trein vertrekt om tien uur.”
919grandegaenorm–Ni vidis grandegan elefanton. – „Wij zagen een enorme olifant.”
927komunagemeenschappelijk, gedeeld–Ni havas komunan amikon. – „Wij hebben een gemeenschappelijke vriend.”
930karalief, duurmalkara „goedkoop”Kara amiko, mi skribas al vi el Parizo. – „Beste vriend, ik schrijf je vanuit Parijs.”
942seriozaserieusmalserioza „onserieus, frivool”Li estas serioza homo. – „Hij is een serieuze persoon.”
952internaciainternationaal–Esperanto estas internacia lingvo. – „Esperanto is een internationale taal.”
954perfektaperfect, onberispelijk–Neniu estas perfekta. – „Niemand is perfect.”
959malplenaleegplena „vol”La botelo estas malplena. – „De fles is leeg.”
961freŝaversmalfreŝa „niet vers”Mi aĉetis freŝan panon. – „Ik heb vers brood gekocht.”
970sesazesde–Mi leviĝas je la sesa horo. – „Ik sta om zes uur op.”
976utilanuttigmalutila „schadelijk”Via konsilo estis tre utila. – „Je advies was erg nuttig.”
977italaItaliaans–Mi ŝatas italan kafon. – „Ik hou van Italiaanse koffie.”
989eŭropaEuropees–Ŝi vojaĝas tra eŭropaj landoj. – „Zij reist door Europese landen.”
991antaŭavorig, voormaligsekva „volgend”Ni parolis pri tio en la antaŭa leciono. – „Wij hebben daar in de vorige les over gesproken.”
996naturanatuurlijkmalnatura „onnatuurlijk”Tio estas tute natura. – „Dat is volkomen natuurlijk.”
997necesanoodzakelijk–La bileto ne estas necesa. – „Het kaartje is niet nodig.”
998taŭgageschiktmaltaŭga „ongeschikt”Tiu ĉambro estas taŭga por ni. – „Die kamer is geschikt voor ons.”

Vier opmerkingen bij de tabel:

  • Tegenstellingen. 71 van de 120 bijvoeglijke naamwoorden hebben er een: 52 via mal- en 19 via een apart woord. De 49 streepjes omvatten kleuren, nationaliteiten en rangtelwoorden, die geen tegenstelling hebben, en bijvoeglijke naamwoorden als amuza of freneza, waar geen enkel woord het natuurlijke omgekeerde is. Voor een gewone ontkenning gebruik je ne: nekonata „onbekend”, nenecesa „onnodig”. Dat zijn geen tegenstellingen; het verschil wordt uitgelegd op tegenstellingen in het Esperanto.
  • Deelwoorden. Tien items zijn deelwoorden die als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt: venonta, pasinta, farita, okupata, ŝatata, mortinta, malfermita, okupita, fermita en konata. Zie deelwoorden.
  • Okupata en okupita. Beide zijn lijdende deelwoorden van okupi en beide betekenen „bezig”. Zamenhof schreef dat het gebruik mi estas okupita vraagt (Lingvaj Respondoj, geciteerd in ReVo). PMEG vindt okupita ook de gebruikelijker vorm, maar zegt dat beide werken voor „bezig gehouden worden door werk”, zonder praktisch verschil. In onze lijst is okupata (617) de frequentere van de twee. Een bezette stoel is okupita.
  • Kleuren. De acht kleuren zijn ruĝa, blanka, verda, nigra, blua, bruna, flava en griza; meer tinten en het gebruik van hel- en mal-hel- staan op de pagina kleuren.

Tegenstellingen: mal- en aparte woorden

Dertien bijvoeglijke naamwoorden in de lijst beginnen met mal-, en twaalf paren staan met beide woorden in de lijst: bona en malbona, granda en malgranda, multa en malmulta, nova en malnova, juna en maljuna, longa en mallonga, sama en malsama, plena en malplena, riĉa en malriĉa, varma en malvarma, facila en malfacila, fermita en malfermita. Eén stam geeft je beide uiteinden van de schaal. In het Nederlands moet je voor „groot – klein”, „warm – koud” of „rijk – arm” telkens twee woorden leren; in het Esperanto maakt mal- het tweede woord meestal vanzelf. Zie voorvoegsels en de 74 paren op de pagina over tegenstellingen.

Andere tegenstellingen zijn twee aparte woorden, dus mal- helpt daar niet. Deze paren staan in de tabel hierboven:

PaarNederlandsWaarom we ze koppelen
nigra – blankazwart – witReVo geeft blanka als antoniem van nigra
unua – lastaeerste – laatsteEerste en laatste plaats in een reeks
venonta – pasintavolgend – verledenReVo definieert elk tegenover het andere
sekva – antaŭavolgend – vorigVolgorde in een reeks of in de tijd
laca – viglamoe – levendigReVo definieert laca als malvigla
stulta – inteligentadom – intelligentReVo definieert malinteligenta als stulta
interesa – enuigainteressant – saaiReVo definieert enui als zich ontevreden voelen door gebrek aan belangstelling
danĝera – sekuragevaarlijk – veiligSekura betekent zich in een situatie zonder gevaar bevinden
antikva – modernaoud – modernReVo definieert moderna „in tegenstelling tot het antieke”
alia – samaander – zelfdeReVo definieert alia als malsama
terura – bonegaverschrikkelijk – uitstekendReVo definieert terura in één betekenis als malbonega
stranga – normalavreemd – normaalReVo definieert stranga als het ongewone; nenormala staat bij de verwante woorden

Vergelijken: pli, plej, ol

Bijvoeglijke naamwoorden krijgen geen uitgang voor de vergrotende trap. Pli betekent „meer”, plej „meest”, ol „dan” en tiel … kiel „zo … als”. Er zijn geen onregelmatige vormen: „beter” is pli bona en „slechter” is pli malbona. Het Nederlands heeft onregelmatige trappen („goed – beter – best”, „veel – meer – meest”) en uitgangen op -er en -st; het Esperanto gebruikt altijd pli en plej. De volledige regels staan op vergelijking.

BetekenisPatroonVoorbeeld
meer … danpli … olTiu libro estas pli interesa ol ĉi tiu. – „Dat boek is interessanter dan dit.”
het meestla plej … elŜi estas la plej juna el la infanoj. – „Zij is de jongste van de kinderen.”
minder … danmalpli … olĈi tiu ekzerco estas malpli malfacila ol la alia. – „Deze oefening is minder moeilijk dan de andere.”
zo … alstiel … kielLa libro estas tiel dika kiel la vortaro. – „Het boek is zo dik als het woordenboek.”
zeer, tetre, trotre bela, tro multekosta – „zeer mooi”, „te duur”

Bijvoeglijke naamwoorden als unua „eerste” of franca „Frans” noemen een vaste positie of herkomst en worden daarom zelden vergeleken. Om de sterkte binnen het woord te veranderen, gebruik je het achtervoegsel -eg-: bona → bonega „uitstekend”, bela → belega „prachtig” en granda → grandega „enorm” staan allemaal in de lijst.

Bijvoeglijke naamwoorden gemaakt van andere woorden

De uitgang -a voegt het idee „met of verband houdend met wat de stam zegt” toe (PMEG): homa is „verband houdend met mensen”, longa „met lengte”. De precieze betekenis hangt af van de stam en de context, dus controleer onbekende woorden in het woordenboek. De meeste bijvoeglijke naamwoorden die je tegenkomt zijn uit andere woorden opgebouwd door woordvorming.

BronPatroonVoorbeeldBetekenis
zelfstandig naamwoordstam + -adanĝero → danĝera (684)„gevaar” → „gevaarlijk”
zelfstandig naamwoordstam + -ahomo → homa (457)„mens” → „menselijk”
zelfstandig naamwoordstam + -adomo → doma„huis” → „huishoudelijk, van het huis”
zelfstandig naamwoordstam + -asomero → somera„zomer” → „zomers, van de zomer”
werkwoorddeelwoordfermi → fermita (879)„sluiten” → „gesloten”
werkwoorddeelwoordmorti → mortinta (784)„sterven” → „dood”
werkwoordachtervoegsel -em-, -ebl-, -ind-lerni → lernema, manĝi → manĝebla, legi → leginda„leergierig”, „eetbaar”, „lezenswaardig”
bijvoeglijk naamwoordvoorvoegsel mal-bona → malbona (229)„goed” → „slecht”
bijvoeglijk naamwoordachtervoegsel -eg-bela → belega (835)„mooi” → „prachtig”
woordgroepinter nacioj→ internacia (952)„tussen naties” → „internationaal”

Zo hebben we geteld

We hebben op 8 oktober 2026 geteld in ons bestand esperanto-1000-common-words-nl.csv. Het komt uit 822.296 Tatoeba-zinnen met 5.831.657 woorden. Elke vorm van een bijvoeglijk naamwoord telt onder zijn -a-vorm, zonder meervouds-j en accusatief-n. De methode staat op de pagina veelgebruikte woorden.

  • 120 van de 1.000 items zijn bijvoeglijke naamwoorden (12,0%). Hun per_million-waarden tellen op tot 31.786 per miljoen, dus bijvoeglijke naamwoorden zijn 3,2% van alle woorden in het corpus, of 4,1% van de woorden die de lijst met 1.000 woorden dekt.
  • Werkwoorden, zelfstandige naamwoorden en bijwoorden in dezelfde lijst vormen 17,6% (313 items), 8,7% (359) en 4,6% (89). Er zijn veel bijvoeglijke naamwoorden, maar elk is zeldzaam: de meest voorkomende, bona, komt 1.958 keer per miljoen woorden voor, esti 40.934 keer. Zie de meest gebruikte werkwoorden.
  • Slechts 4 van de 100 meest voorkomende woorden zijn bijvoeglijke naamwoorden (bona 57, alia 63, granda 81, multa 82). Er zijn er 25 in de eerste 300 woorden en 46 in de eerste 500.
  • De 10, 20, 50 en 100 meest voorkomende bijvoeglijke naamwoorden vormen 1,2%, 1,6%, 2,4% en 3,0% van alle woorden, dat is 37%, 51%, 74% en 94% van alle voorkomens van bijvoeglijke naamwoorden in de lijst.

De woordsoort komt uit de uitgang: een item op -a is een bijvoeglijk naamwoord. Bezittelijke woorden (mia, via) en de correlatieven kia, tia, ia, ĉia en nenia worden in hun eigen klassen geteld, terwijl kioma, dat naar een getal in een reeks vraagt, en ambaŭ als bijvoeglijk naamwoord tellen. Vijf groepen vallen op:

GroepBijvoeglijke naamwoordenPer miljoen woordenVoorbeelden
Met mal-132.658malbona, malgranda, malnova
Nationaliteit en regio102.352franca, angla, germana, japana
Kleuren81.736ruĝa, blanka, verda, nigra
Deelwoorden101.370venonta, pasinta, fermita
Rangtelwoorden41.121unua, dua, tria, sesa

Malfermita is zowel een woord met mal- als een deelwoord. Tatoeba bevat korte, geschreven, vaak vertaalde zinnen; romans of gesproken taal zouden een andere volgorde geven, zoals de lijst op Woordenschat laat zien.

Veelgestelde vragen

Wat zijn de meest gebruikte bijvoeglijke naamwoorden in het Esperanto?

In onze lijst zijn de tien meest voorkomende bona, alia, granda, multa, bela, nova, tuta, kelka, sola en unua. Samen vormen ze 1,2% van alle woorden in het Tatoeba-corpus; bona „goed” alleen is ongeveer één woord op de 500.

Hoe vorm je een bijvoeglijk naamwoord in het Esperanto?

Zet -a achter een stam: danĝer- geeft danĝera „gevaarlijk”. Voeg -j toe voor het meervoud en -n voor het lijdend voorwerp: danĝeraj stratoj, danĝerajn stratojn. Zie zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.

Hoe zeg je het tegenovergestelde van een bijvoeglijk naamwoord in het Esperanto?

Zet mal- ervoor: granda „groot” → malgranda „klein”. Sommige tegenstellingen zijn aparte woorden, zoals nigra – blanka „zwart – wit”; zie tegenstellingen.

Hoe zeg je „beter” en „de beste” in het Esperanto?

Gebruik pli bona voor „beter” en la plej bona voor „de beste”. Niets is onregelmatig; dezelfde pli en plej werken bij elk bijvoeglijk naamwoord (vergelijking).

Staat het bijvoeglijk naamwoord voor of na het zelfstandig naamwoord?

Meestal ervoor, maar beide volgordes zijn juist: granda domo en domo granda betekenen hetzelfde. Staat het bijvoeglijk naamwoord erachter, dan krijgt het vaak nadruk (PMEG).

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.