Zinnen
Kleding in het Esperanto: kledingwoorden en winkelzinnen
De meeste Esperanto-kledingwoorden zijn korte, regelmatige stammen, en drie werkwoorden doen de rest: porti „dragen”, surmeti „aantrekken” en vesti „aankleden”.
Kleren heten in het Esperanto vestoj, van vesto „kleding, kledingstuk”, en één kledingstuk is een vestaĵo. Je draagt kleren met porti of surhavi, trekt ze aan met surmeti en kleedt iemand aan met vesti. In de uitspraakkolom staat elk woord in lettergrepen, met de beklemtoonde lettergreep in hoofdletters.
Dagelijkse kleding
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak | Toelichting |
|---|---|---|---|
| kleren, kleding | vestoj, vesto | VES-toj, VES-to | vesto is ook één kledingstuk |
| overhemd, hemd | ĉemizo | ĉe-MI-zo | Wordt over of onder andere kleding gedragen |
| blouse | bluzo | BLU-zo | |
| trui | pulovero, svetero | pu-lo-VE-ro, sve-TE-ro | trikjako is een gebreid vest |
| jasje, jack | jako | JA-ko | Gaat aan de voorkant open; jaketo is kort |
| jas, mantel | mantelo, palto | man-TE-lo, PAL-to | palto is een overjas; pluvmantelo een regenjas |
| gilet | veŝto | VEŜ-to | Mouwloos, meestal onder een jasje |
| broek, pantalon | pantalono | pan-ta-LO-no | Eén kledingstuk, dus enkelvoud |
| spijkerbroek, jeans | ĝinzo | ĜIN-zo | ReVo spelt het ook ĵinzo |
| korte broek | pantaloneto, ŝorto | pan-ta-lo-NE-to, ŜOR-to | |
| rok | jupo | JU-po | |
| jurk | robo | RO-bo | Zie de valse vrienden hieronder |
| pak, kostuum | kostumo, vestokompleto | kos-TU-mo, ves-to-kom-PLE-to |
Ondergoed, nachtkleding en zwemkleding
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak | Toelichting |
|---|---|---|---|
| ondergoed | subvesto | sub-VES-to | Gedragen onder zichtbare kleding |
| onderbroek | kalsono | kal-SO-no | |
| beha | mamzono | mam-ZO-no | mamo „borst” + zono |
| pyjama | piĵamo | pi-ĴA-mo | ĵ klinkt als „zj” |
| badpak, zwemkleding | bankostumo | ban-kos-TU-mo | bani „baden” |
Schoenen, hoeden en accessoires
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak | Toelichting |
|---|---|---|---|
| schoen | ŝuo | ŜU-o | Eén schoen; een paar is paro da ŝuoj |
| laars | boto | BO-to | ReVo: een hoge schoen tot aan de knie |
| sandaal | sandalo | san-DA-lo | |
| sok | ŝtrumpeto | ŝtrum-PE-to | Kort; ook duonŝtrumpo |
| kous | ŝtrumpo | ŜTRUM-po | ReVo: gebreid, ongeveer kniehoog |
| hoed | ĉapelo | ĉa-PE-lo | Heeft een rand |
| pet | ĉapo | ĈA-po | Zonder rand; kaskedo heeft een klep |
| stropdas | kravato | kra-VA-to | |
| riem | zono | ZO-no | Een band om het middel |
| handschoen | ganto | GAN-to | Eén handschoen; een paar is paro da gantoj |
| sjaal | ŝalo | ŜA-lo | Over de schouders gedragen |
Onderdelen en materialen
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak |
|---|---|---|
| knoop | butono | bu-TO-no |
| zak | poŝo | PO-ŝo |
| mouw | maniko | ma-NI-ko |
| kraag | kolumo | ko-LU-mo |
| rits | zipo | ZI-po |
| stof | ŝtofo | ŜTO-fo |
| wol | lano | LA-no |
| katoen | kotono | ko-TO-no |
| zijde | silko | SIL-ko |
| leer | ledo | LE-do |
Een materiaal wordt een bijvoeglijk naamwoord met -a: lana ŝalo „een wollen sjaal”, kotona ĉemizo „een katoenen overhemd”, leda jako „een leren jack”. De meeste woorden hier komen uit het Fundamento van 1905. Robo, palto, bluzo, sandalo, piĵamo, zipo en kaskedo zijn latere Officiële Aanvullingen, terwijl pulovero, svetero, ŝorto en ĝinzo wel in ReVo staan maar niet als officieel zijn gemarkeerd.
Valse vrienden voor Nederlandstaligen
| Nederlands woord | Esperanto | Wat het betekent |
|---|---|---|
| vest | vesto | Kleding of een kledingstuk. Een gilet is veŝto, een gebreid vest is trikjako |
| robe | robo | ReVo: een lang gewaad en een jurk uit één stuk, meestal voor vrouwen. Een ambtsgewaad heet bij ons „robe”; een kamerjas is ĉambra robo |
| kostuum | kostumo | ReVo: kleding die typisch is voor een volk, stand, tijdperk of beroep, dus dichter bij „klederdracht” of „toneelkostuum”. Ons „kostuum” (herenpak) is vestokompleto |
| boot | boto | Een laars. Onze „boot” is boato (klein vaartuig) of ŝipo (schip) |
Werkwoorden voor kleding
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak | Toelichting |
|---|---|---|---|
| aankleden (iemand) | vesti | VES-ti | Heeft een lijdend voorwerp nodig |
| zich aankleden | vestiĝi, vesti sin | ves-TI-ĝi | |
| zich uitkleden | senvestiĝi | sen-ves-TI-ĝi | |
| aantrekken | surmeti | sur-ME-ti | De handeling van aantrekken |
| uittrekken | demeti | de-ME-ti | Het tegenovergestelde van surmeti |
| dragen, aanhebben | porti, surhavi | POR-ti, sur-HA-vi | Een toestand |
| passen, aanpassen | surprovi, provi | sur-PRO-vi, PRO-vi | |
| dichtknopen, losknopen | butonumi, malbutonumi | bu-to-NU-mi, mal-bu-to-NU-mi | butoni is een kortere variant |
Porti, surhavi of surmeti?
Surmeti is het moment van aantrekken. Porti en surhavi beschrijven het dragen. Porti betekent net als ons „dragen” ook „vervoeren, bij je hebben”, dus Li portas la mantelon kan betekenen dat hij de jas draagt of dat hij hem meedraagt; surhavi („op zich hebben” in ReVo) kan alleen „aanhebben” betekenen.
| Werkwoord | Voorbeeld | Nederlands |
|---|---|---|
| surmeti | Mi surmetas la mantelon. | Ik trek de jas aan. |
| porti | Ŝi ofte portas verdan ĉapelon. | Ze draagt vaak een groene hoed. |
| surhavi | Li surhavas novan jakon. | Hij heeft een nieuw jack aan. |
| demeti | Mi demetas la ŝuojn ĉe la pordo. | Ik trek mijn schoenen uit bij de deur. |
Vesti heeft, net als ons „aankleden”, een lijdend voorwerp nodig: Ŝi vestas la infanon. „Ze kleedt het kind aan.” Voor jezelf gebruik je vestiĝi of vesti sin: La infano vestiĝas mem. „Het kind kleedt zich zelf aan.” Het verschil wordt uitgelegd bij -ig- en -iĝ-, en sin bij voornaamwoorden.
Kledingwoorden maken
Het hoofdwoord staat laatst: kap·vest·o is „hoofdkleding”. Meer bij woordvorming, voorvoegsels en achtervoegsels.
| Patroon | Voorbeelden | Nederlands |
|---|---|---|
| X·vesto | kapvesto, piedvesto, noktovesto, survesto | hoofddeksel, schoeisel, nachtkleding, bovenkleding |
| -aĵ- | vestaĵo, trikaĵo | een kledingstuk, breiwerk |
| -ar- | vestaro | een hele set kleding, garderobe |
| -ej- | vestejo, vestvendejo, kudrejo | garderobe(ruimte), kledingwinkel, naaiatelier |
| ŝranko | vestoŝranko | kledingkast |
| -ist- | kudristo, botisto, gantisto | kleermaker, laarzenmaker, handschoenmaker |
| -uj- | monujo | portemonnee, „geldhouder” |
| mal- | malvesti, malbutonumi, mallonga | uitkleden, losknopen, kort |
PMEG's voorbeeld voor -aĵ- is tolo → tolaĵo „iets van linnen”; bij -ej- geeft het ĉapelejo „een hoedenwinkel of een plaats waar hoeden worden bewaard”.
Maten en kleuren
| Nederlands | Esperanto | Uitspraak |
|---|---|---|
| groot | granda | GRAN-da |
| klein | malgranda | mal-GRAN-da |
| lang | longa | LON-ga |
| kort | mallonga | mal-LON-ga |
| breed | larĝa | LAR-ĝa |
| smal | mallarĝa | mal-LAR-ĝa |
| nieuw | nova | NO-va |
| oud | malnova | mal-NO-va |
Bijvoeglijke naamwoorden passen zich aan het zelfstandig naamwoord aan: Ĉi tiuj ŝuoj estas tro malgrandaj. „Deze schoenen zijn te klein.” Voor „langer” gebruik je pli: Mi serĉas pli longan jupon. „Ik zoek een langere rok.” Zie vergelijking en de accusatief. Kleuren zijn ook bijvoeglijke naamwoorden: ruĝa jupo, helblua ĉemizo. De kleurenpagina somt ze op met tinten.
Zinnen voor het kopen van kleding
Kijken en passen
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Mi serĉas nigran jakon. | Ik zoek een zwart jasje. |
| Ĉu mi povas provi ĝin? | Mag ik het passen? |
| Kie estas la provbudo? | Waar is de paskamer? |
| Ĉu vi havas ĝin en alia koloro? | Is dit ook in een andere kleur verkrijgbaar? |
| Ĉu vi havas ĝin en pli granda mezuro? | Is dit ook in een grotere maat verkrijgbaar? |
ReVo definieert provbudo als het hokje in een kledingwinkel om kleding te passen. Surprovi is het exacte werkwoord, maar gewoon provi komt ook veel voor.
Maat en pasvorm
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Kiu estas via mezuro? | Welke maat heb je? |
| Ĝi estas tro granda. | Het is te groot. |
| Ili estas tro mallongaj. | Ze zijn te kort. |
| Tiu jako bone sidas al vi. | Dat jasje staat je goed. |
Hier betekent sidi „goed staan” (ReVo). Mezuro, letterlijk „meting”, wordt voor de kledingmaat gebruikt.
Prijs en betalen
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Kiom ĝi kostas? | Hoeveel kost het? |
| Ĝi estas tro multekosta. | Het is te duur. |
| Ĉu vi povas doni rabaton? | Kun je korting geven? |
| Mi prenos ĝin. | Ik neem het. |
| Ĉu mi povas pagi per karto? | Kan ik met de kaart betalen? |
| Ĉu mi povas interŝanĝi ĝin? | Kan ik het ruilen? |
Een winkel is een butiko of vendejo, een winkelier een butikisto. Een kledingwinkel is een vestvendejo (het woord van ReVo) of vestobutiko. Voor meerdere dingen gebruik je ilin: Mi prenos ilin. – „Ik neem ze.”
Wat heb je aan?
| Esperanto | Nederlands |
|---|---|
| Hodiaŭ mi portas bluan ĉemizon kaj grizan pantalonon. | Vandaag draag ik een blauw overhemd en een grijze broek. |
| Kion vi surmetos hodiaŭ? | Wat ga je vandaag aantrekken? |
| Ekstere estas malvarme, surmetu vian mantelon! | Buiten is het koud, trek je jas aan! |
Wat je in elk seizoen draagt, staat op de pagina over weer en seizoenen.
Veelgestelde vragen
Hoe zeg je „kleren” in het Esperanto?
Vestoj. Eén kledingstuk is een vestaĵo. „Dragen” is porti of surhavi: Mi portas ruĝan robon. „Ik draag een rode jurk.”
Hoe zeg je „jurk” in het Esperanto?
Het kledingstuk is een robo: Ŝi surhavas ruĝan robon. „Ze heeft een rode jurk aan.” Het werkwoord „aankleden” is vesti.
Wat is het verschil tussen porti en surmeti?
Surmeti betekent kleren aantrekken, porti en surhavi betekenen ze dragen. Demeti trekt ze uit.
Hoe vraag je „Mag ik dit passen?” in het Esperanto?
Ĉu mi povas provi ĝin? of, nauwkeuriger, Ĉu mi povas surprovi ĝin?
Is pantalono enkelvoud of meervoud?
Enkelvoud. Een broek is één kledingstuk, unu pantalono, en twee broeken zijn du pantalonoj. Net als bij ons „broek” (anders dan in het Engelse „trousers”) is het woord dus enkelvoud. Hetzelfde geldt voor kalsono, ŝorto en ĝinzo. Bij schoenen, handschoenen en kousen is het andersom: ŝuo, ganto en ŝtrumpo zijn elk één stuk, dus een paar is paro da ŝuoj.
Bronnen
- ReVo: vesto, vesti, vestaĵo, vestaro, vestejo, subvesto, kapvesto, piedvesto, noktovesto, laborvesto, senvestiĝi
- ReVo: ĉemizo, pantalono, jupo, robo, jako, mantelo, palto, bluzo, pulovero, svetero, veŝto, ĝinzo, ŝorto, kostumo, bankostumo, kalsono, mamzono
- ReVo: ŝuo, boto, boato, sandalo, ŝtrumpo, ŝtrumpeto, ĉapelo, ĉapo, kaskedo, kravato, zono, ganto, ŝalo, monujo
- ReVo: butono, butonumi, poŝo, maniko, zipo, ŝtofo, lano, kotono, silko, ledo, trikaĵo, kudri, kudristo, kudrejo
- ReVo: meti (surmeti, demeti), porti, havi (surhavi), provi, surprovi, provbudo, sidi, vestoŝranko, rabato, butiko
- PMEG: AĴ, EJ, IĜ
- Tatoeba (CC BY 2.0 FR), alleen gebruikt om het gebruik te controleren: #464632 pantalonon aŭ jupon, #555050 surprovi, #1687098 bone sidas, #570339 sin vestas, #1461552 mezuro
Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.