Esperantopedia

Grammatica

Veelgemaakte Esperanto-fouten: 42 voorbeelden en oplossingen

Elke rij toont een foute zin, de juiste zin en de reden, gegroepeerd naar soort misser.

Bijgewerkt: 2 min. leestijd

De meest gemaakte Esperanto-fouten zijn een ontbrekende accusatief -n, een bijvoeglijk naamwoord dat het getal van zijn zelfstandig naamwoord niet overneemt, -ig- en -iĝ- door elkaar, lia waar sia nodig is en kiel waar ol hoort. De rijen hieronder zijn geschreven met Nederlandstaligen uit Nederland en Vlaanderen in gedachten. Elke rij geeft de foute vorm, de juiste vorm en de reden. Een paar „foute” zinnen zijn grammaticaal wel mogelijk, maar zeggen iets anders dan bedoeld; de kolom Waarom zegt dat dan.

Uitgangen

Volledige regels: de accusatief en zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden.

FoutGoedWaarom
Mi vidas la hundo.Mi vidas la hundon. – „Ik zie de hond.”Het lijdend voorwerp krijgt -n; de woordvolgorde markeert het niet, anders dan in het Nederlands.
Mi estas instruiston.Mi estas instruisto. – „Ik ben leraar.”Na esti beschrijft het woord het onderwerp en is het geen lijdend voorwerp, dus geen -n.
belaj domo, grandan domojbela domo, grandajn domojn – „een mooi huis”, „grote huizen”Een bijvoeglijk naamwoord neemt het getal (-j) en de -n van zijn zelfstandig naamwoord over.
katonjkatojn – „katten” (lijdend voorwerp)-j komt altijd vóór -n.
Mi havas du kato.Mi havas du katojn. – „Ik heb twee katten.”Meer dan één betekent een zelfstandig naamwoord in het meervoud.
Mi iras al la urbon.Mi iras al la urbo. – „Ik ga naar de stad.”Al geeft al richting aan; richting-n hoort bij en, sur, sub (PMEG).
La birdo flugis en la ĉambro.La birdo flugis en la ĉambron. – „De vogel vloog de kamer in.”Beide zijn correct, maar zonder -n was de vogel al binnen. Het Nederlandse „in de kamer” is dubbelzinnig, het Esperanto niet.

Werkwoorden

Zie -ig- en -iĝ-, werkwoorden en deelwoorden.

FoutGoedWaarom
La filmo komencas.La filmo komenciĝas. – „De film begint.”Komenci heeft een lijdend voorwerp nodig (Mi komencas la filmon). Iets dat vanzelf begint, krijgt -iĝ-. Het Nederlandse „beginnen” kan beide.
Mi bolas la akvon.Mi boligas la akvon. – „Ik breng het water aan de kook.”Boli is onovergankelijk („het water kookt”). Met een lijdend voorwerp heb je -ig- nodig.
Mi volas lernas., Mi provas por lerni.Mi volas lerni., Mi provas lerni. – „Ik wil leren.”, „Ik probeer te leren.”Na voli, povi, devi en provi blijft het tweede werkwoord een onbepaalde wijs op -i, zonder „te” of „om te”.
Li diris, ke li venus.Li diris, ke li venos. – „Hij zei dat hij zou komen.”Houd de tijd van de oorspronkelijke woorden aan („Ik kom”); het Nederlandse „zou komen” overnemen is een fout (PMEG).
Mi havas manĝis., Mi estas manĝis.Mi manĝis. – „Ik heb gegeten.”-is dekt zowel „ik at” als „ik heb gegeten”. Een hulpwerkwoord als „hebben” of „zijn” is niet nodig.
Estas varma hodiaŭ.Estas varme hodiaŭ. – „Het is warm vandaag.”Een zin zonder onderwerp krijgt een bijwoord, ook al staat er in het Nederlands „het is warm”.
La ĉambro estas varme.La ĉambro estas varma. – „De kamer is warm.”Met een echt onderwerp krijgt esti een bijvoeglijk naamwoord.
La pordo estas fermata.La pordo estas fermita. – „De deur is dicht.”-at- betekent dat de handeling nog bezig is („wordt gesloten”); -it- betekent dat ze klaar is.
Mi ĵetadis la pilkon unu fojon.Mi ĵetis la pilkon unu fojon. – „Ik gooide de bal één keer.”-ad- toont een handeling die voortduurt of zich herhaalt (PMEG); één handeling krijgt het gewone werkwoord. Zie achtervoegsels.

Voornaamwoorden en correlatieven

Zie voornaamwoorden, betrekkelijke bijzinnen en vragen en ontkenning.

FoutGoedWaarom
Petro amas lian edzinon.Petro amas sian edzinon. – „Peter houdt van zijn eigen vrouw.”Sia verwijst naar het onderwerp. Lian betekent de vrouw van een andere man. Het Nederlandse „zijn” zegt dat verschil niet.
Petro kaj sia edzino venis.Petro kaj lia edzino venis. of Petro kun sia edzino venis. – „Peter en zijn vrouw kwamen.”Sia kan geen deel van het onderwerp zijn, en bestaat alleen in de derde persoon: Mi venis kun mia frato, niet kun sia frato.
La libro, ke mi legisLa libro, kiun mi legis – „het boek dat ik las”Het Nederlandse „dat” is zowel voegwoord (ke) als betrekkelijk voornaamwoord (kiu). Om een zelfstandig naamwoord te beschrijven gebruik je kiu, met -n als het lijdend voorwerp is.
Mi ne scias, aŭ li venos.Mi ne scias, ĉu li venos. – „Ik weet niet of hij komt.”Het Nederlandse „of” is zowel aŭ („of … of”) als ĉu (indirecte ja/nee-vraag). Een ja/nee-vraag in een bijzin begint met ĉu.
Mi estas dudek jaroj.Mi havas dudek jarojn. of Mi estas dudekjara. – „Ik ben twintig jaar oud.”Leeftijd is iets wat je hebt (havi … jarojn) of een bijvoeglijk naamwoord op -jara; je „bent” geen jaren. Zie tijd en data.
Mi ne vidis neniun.Mi vidis neniun. – „Ik zag niemand.”Eén ontkenning per zin. Twee heffen elkaar op, dus de foute zin betekent „ik zag wél iemand”.
Mi aĉetis novan telefonon, sed li ne funkcias.Mi aĉetis novan telefonon, sed ĝi ne funkcias. – „Ik kocht een nieuwe telefoon, maar hij werkt niet.”Li is alleen voor mannen. Voor dingen en dieren gebruik je ĝi, ook als je in het Nederlands „hij” of „zij” zou zeggen.

Woordkeuze

Zie vergelijking, voorzetsels en het lidwoord.

FoutGoedWaarom
Li estas pli alta kiel mi.Li estas pli alta ol mi. – „Hij is groter dan ik.”„Dan” is ol. Kiel betekent „als, zoals”.
Mi volas glason akvon.Mi volas glason da akvo. – „Ik wil een glas water.”Na een maat of hoeveelheid hoort da; het Nederlands heeft daar geen voorzetsel. Na da komt geen -n.
Mi vidis multe homojn.Mi vidis multe da homoj. – „Ik zag veel mensen.”Woorden van hoeveelheid zijn met wat ze tellen verbonden door da, en daarna komt geen -n.
Mi venos en la oka.Mi venos je la oka. – „Ik kom om acht uur.”Kloktijden krijgen je. Dagen krijgen -n: lundon – „op maandag”.
Tiu ŝtofo kostas dek eŭrojn po metro.Tiu ŝtofo kostas po dek eŭrojn por metro. – „Die stof kost tien euro per meter.”Po staat vóór de hoeveelheid die zich herhaalt, en „per” is por (PMEG).
Mi parolas anglan.Mi parolas la anglan. – „Ik spreek Engels.”Een taal die met een bijvoeglijk naamwoord wordt genoemd, krijgt la: la angla. In het Nederlands laat je het lidwoord vaak weg.
Mi lernas la Esperanton.Mi lernas Esperanton. – „Ik leer Esperanto.”Taalnamen op -o (Esperanto, Ido, Volapuko) zijn eigennamen en krijgen geen la, anders dan in het Nederlandse „het Esperanto”.

Nederlandse woorden met meer dan één vertaling

Sommige Nederlandse woorden dekken meerdere Esperanto-woorden. Kies bewust.

FoutGoedWaarom
Kiam mi havus tempon, mi venus.Se mi havus tempon, mi venus. – „Als ik tijd had, zou ik komen.”„Als” kan „indien” betekenen (se) of „wanneer” (kiam). Een voorwaarde krijgt se.
Li laboras ol instruisto.Li laboras kiel instruisto. – „Hij werkt als leraar.”„Als” in de zin van „in de rol van” of „zoals” is kiel. Ol hoort alleen bij pli en malpli.
Tiam mi estis en Parizo, mi vidis la Eiffel-turon.Kiam mi estis en Parizo, mi vidis la Eiffel-turon. – „Toen ik in Parijs was, zag ik de Eiffeltoren.”„Toen” is kiam als voegwoord in een bijzin, en tiam als bijwoord („toen, destijds”).
Mi sendis pakaĵon per post.Mi sendis pakaĵon per la poŝto. – „Ik stuurde een pakket met de post.”Post betekent „na”. De post (brieven, pakjes) is poŝto.

Uitspraak en spelling

Deze missers komen voort uit Nederlandse klankgewoonten. Zie de alfabetpagina.

FoutGoedWaarom
FA-mi-li-o, TE-le-fo-nofa-mi-LI-o, te-le-FO-noDe klemtoon valt op de voorlaatste klinker, zoals in es-pe-RAN-to. i vóór o telt als klinker.
Eŭropo uitgesproken als Nederlands „Europa”; tuj als „tui”eŭ-RO-po; tuj als „toei”eŭ is een korte e plus een u-glijklank, niet de Nederlandse „eu” van „deur”. uj is „oe” plus j, niet de Nederlandse „ui”.
kwin, akwokvin – „vijf”, akvo – „water”Er is geen w. Waar het Nederlands „kw” schrijft (kwart, kwaad), schrijft het Esperanto kv.
centro uitgesproken als „SEN-tro”centro uitgesproken als „TSEN-tro”c is altijd „ts” (PMEG).
granda met de Nederlandse schuur-g (als in „goed”)granda met harde g, zoals in „goal”De Esperanto-g is altijd een harde g. De schuurklank van de Nederlandse g lijkt op ĥ.
vino uitgesproken als fino; zono als sonovino – „wijn”, fino – „einde”; zono – „zone”, sono – „geluid”Spreek v en z stemhebbend uit. In het Nederlands klinken ze bij veel sprekers uit Nederland bijna als f en s.
Mi scias, ke si venos.Mi scias, ke ŝi venos. – „Ik weet dat zij komt.”Si zonder dakje is het wederkerend voornaamwoord, een ander woord. Kun je geen ŝ typen? Gebruik het x-systeem.
Ŝi parolas la Francan.Ŝi parolas la francan. – „Zij spreekt Frans.”Bijvoeglijke vormen van taal- en volksnamen schrijf je normaal met een kleine letter, anders dan in het Nederlands („Frans”, „Engels”). Alleen namen op -o, zoals Esperanto, krijgen een hoofdletter (PMEG).

Veelgestelde vragen

Welke Esperanto-fouten veranderen de betekenis van een zin?

Er zijn er meerdere: lian in plaats van sian (de vrouw van een andere man, niet zijn eigen vrouw), -ata in plaats van -ita („wordt gesloten” in plaats van „is gesloten”), een ontbrekende richting-n (binnen in de kamer in plaats van de kamer in) en een dubbele ontkenning (de zin wordt bevestigend).

Waarom halen Nederlandstaligen -ig- en -iĝ- door elkaar?

Het Nederlands gebruikt vaak één werkwoord voor beide: „het water kookt” en „ik kook het water”, „de film begint” en „ik begin de film”. Het Esperanto heeft La akvo bolas en Mi boligas la akvon, La filmo komenciĝas en Mi komencas la filmon. De paren staan bij -ig- en -iĝ-.

Schrijf je taalnamen met een hoofdletter in het Esperanto?

Alleen namen op -o, zoals Esperanto, Ido en Latino. Bijvoeglijke vormen als angla en franca en de meeste volksnamen (anglo, usonano) schrijf je normaal met een kleine letter, anders dan in het Nederlands.

Hoe controleer ik mijn eigen Esperanto?

Kijk bij elke zin of elk lijdend voorwerp -n heeft, elk bijvoeglijk naamwoord -j en -n, of je de juiste -ig-/-iĝ--vorm hebt, of sia alleen naar het onderwerp verwijst, en of ol, ke en ĉu op de juiste plek staan. Lees de zin daarna hardop om de klemtoon te controleren.

Bronnen

Als Esperantopedia je heeft geholpen, kun je het steunen.